Erfgoeddrager: yassir

‘Opeens voelde ik een harde duw in mijn rug en toen was het voorbij’

Yassir, Jens, Kasper en Ties van basisschool De Hasselbraam bellen aan op de vijfde verdieping van Residentie Wilgenhof. Ria Hoens (tien jaar toen de oorlog begon) doet vrolijk de deur van haar gezellige appartement open. Aan de muur hangen foto’s van de familie. Trots laat ze nog wat foto’s en filmpjes van de (achter)kleinkinderen zien. Op tafel staat een mooi, zelf geschikt bloemstuk. Samen maken ze de tafel leeg, zodat er ruimte is voor limonade en koekjes. De kinderen willen als eerste weten over eten in oorlogstijd.

Had u genoeg te eten in de oorlog?
‘Ik had geluk, we hadden in de oorlog altijd genoeg te eten. Mijn vader was meubelmaker en vlak voor de oorlog had hij veel hout ingeslagen. Alsof ie het aan voelde komen. Als dochters van boeren of fabrikanten gingen trouwen, kwamen ze bij mijn vader voor meubels. In ruil daarvoor kreeg hij van de boeren melk en eieren en van de fabrikanten stof om kleren van te maken. Ook had mijn vader, omdat hij machines had, een koffiemolen gemaakt in de oorlog. De boeren kwamen dan bij ons gebrande tarwe malen. Daar werd dan koffie van gezet, surrogaatkoffie. Mensen hielpen elkaar allemaal vroeger. Iedereen zat in hetzelfde schuitje. Mensen die in gevaar waren, werden op zolders of in kelders verborgen en kregen stiekem te eten. Een klasgenootje uit de Rochusstraat vertelde me dat zij thuis boven joden hadden zitten. Dat mocht niemand weten, want dan werden ze opgepakt. Wij hadden mensen die vanuit Tiel moesten evacueren in huis. Een gezin met twee zoontjes sliepen boven op stro met een laken eroverheen, want bedden hadden we niet voor ze. Ze waren zo ontzettend bang. Van angst plasten de jongetjes in bed. Het lekte door het plafond heen in onze huiskamer.’

Heeft u  ook vrienden verloren?
‘Eén klasgenootje is omgekomen bij de bombardementen op 19 september, de dag na de bevrijding. Iedereen was blij dat we bevrijd waren en vierde feest. ’s Avonds verschenen er vliegtuigen van de Duitse Luftwaffe boven de stad. Ze bombardeerden onder andere de Aalsterweg, de Stratumsedijk en de Rechtestraat, de doorgangsroutes van de Engelsen. Sommige mensen vluchtten, anderen verscholen zich in de schuilkelder. Eén verdwaalde bom kwam op een schuilkelder aan de Biesterweg terecht. Het was geen echte schuilkelder, maar een soort loopgraaf die de bewoners zelf hadden gegraven. Het uitgegraven zand was nog niet weggekruid en lag naast de rand. Door de luchtdruk van de bom is het in de ingang van de schuilkelder terechtgekomen. Alle mensen zijn toen gestikt. Ook mijn klasgenootje. Het maakte veel indruk op me.
Wij zaten toen ook in de schuilkelder, die mijn vader halverwege de tuin had gemaakt. We zaten dicht tegen elkaar aan. Het was heel beangstigend. Opeens voelde ik een harde duw in mijn rug en toen was het voorbij. De volgende dag zagen we allemaal blindgangers, niet-ontplofte bommen. Eentje lag bij ons onder de heg. Die hadden we gevoeld toen we in de schuilkelder zaten. Gelukkig was hij niet ontploft, anders waren we allemaal begraven geweest.
Ik was in die tijd veertien en zie nog voor me hoe de Engelsen op bevrijdingsdag vanuit de stad over de Geldropseweg marcheerden. Duitse soldaten schoten bij de Burcht. Ik deed snel de voordeur open. “Kom maar binnen,” riep ik tegen de Engelse soldaten. Maar ze waren bang dat ik hen in de val wilde lokken, dat er Duitsers binnen zaten die mij als kind stuurden om hen binnen te halen.’

Wat gebeurde er na de 19e september met jullie?
‘We kregen van de luchtbescherming de opdracht te evacueren. Samen met mijn vader, mijn zwangere moeder en mijn vijf broertjes en zusjes ben ik naar Waalre gelopen. Daar, in het parochiehuis, stonden veldbedden klaar. Op de Willibrorduslaan kwam mijn vader een kennis tegen. “Komen jullie maar met mij mee,” zei hij. De man maakte één slaapkamer voor ons leeg. Daar mochten wij, op stro, slapen. Omdat mijn moeder in verwachting was, mocht zij bij de vrouw des huizes liggen met ook mijn jongste zusje, in een hekjesbedje. De kennis kwam bij ons liggen. De wc was buiten, daar durfden we niet naar toe. Dus stond er een emmer op de gang. We moesten van angst zoveel plassen dat de emmer al snel overliep.’

                     

Erfgoeddrager: yassir

‘Die strenge winter was een drama, maar ik heb toen wel leren schaatsen’

Truus Grondsma reist nog heel veel en gaat overal naartoe. Ze komt ook helemaal uit Noordwijk met de trein naar school. Yassir, Douae, Younes en Kyiomi van De Boomgaard wachten haar vol verwachting voor de deur op. In de tussentijd wordt er nog even gespeeld.

Wat merkte u van het begin van de oorlog?
‘De huizen hier waren toen net nieuw. We speelden gewoon op straat, want er waren nog niet zoveel auto’s. We hadden niet veel, ik speelde vaak met een houten stepje en maakte veel legpuzzels. Mijn jongste herinnering is dat ik midden in de winter achter mijn vader ben aangelopen die met een groep mannen samen kwam op de hoek van de Jan van Galenstraat en de hoofdweg. In de oorlog is ook mijn zusje geboren, maar zij was heel ziek. Zij is ook jong overleden. Je mocht eigenlijk ’s avonds niet naar buiten, maar mijn moeder had een speciaal bewijs dat ze wel naar het ziekenhuis mocht. Ook woonde aan het eind van de oorlog een joods gezin in ons huis. Mijn vader kende de man van school. De halve straat moet dat geweten hebben, maar zij hebben het overleefd. Mijn vader had een sigarenzaak. Dan ging ik bij hem achterop de fiets naar de boeren om spullen te ruilen voor eten. Er reed eens een Duitse wagen langs en wij verstopten ons in een slootje. Ze moeten ons gezien hebben, maar ze hebben niks gezegd. Ook reed er op de hoofdweg een vrachtwagen. De auto remde en er vielen suikerbieten af, die hebben we toen mee naar huis genomen.’

Hoe heeft u het overleefd?
‘Mijn vader kwam uit een grote familie van veertien kinderen uit Friesland. Wij zijn het laatste jaar van de oorlog naar mijn pake (opa) gegaan in Leeuwarden. Daar heb ik met een melkkannetje in de rij van de gaarkeuken moeten staan. In Leeuwarden ben ik voor het eerst naar school gegaan. Ook heb ik daar leren schaatsen. Het was een hele strenge winter en dat was voor anderen natuurlijk een drama, maar ik vond het ijs en sneeuw in Leeuwarden het mooist. Er werden daar ook regelmatig jongens opgepakt die moesten werken in de fabrieken. Dan gingen ze van deur tot deur. Mijn vader is ook een keer opgepakt, maar hij sprak Duits en heeft zich eruit gekletst. Daarna verstopte hij zich op een loze ruimte op de eerste verdieping. Er stonden een keer Duitsers voor de deur, ik moest huilen en riep: “Ze komen voor vader!” Die Duitser vroeg wat ik zei en mijn moeder zei snel: “Ze zegt dat haar opa ziek is.” Ik mocht nooit meer wat zeggen, dat durfde ik ook niet meer. Ik heb jarenlang mijn mond niet meer open durven doen.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘De Canadezen reden met tanks door de stad, maar ik durfde er niet op te zitten. We kregen chocola, dat hadden we in jaren niet gehad. En voor het eerst banaan, dat had zo’n rare smaak. Maar ik had veel te weinig vitaminen gehad tijdens de oorlog, dus de tijd erna had ik plekken van het hongeroedeem. Als je die open stootte, dan stonk het heel erg. In de winter in 1946 werd ik van school gestuurd omdat ik geen klompen had, kun je nagaan hoe arm het nog was. Ik ben ook nog heel lang bang geweest voor het geluid van vliegtuigen, maar opeens was dat weg. Ik vind het fijn om mee te doen aan dit project. Hierdoor herinner ik mij weer allemaal dingen en ben ik ook een en ander gaan uitzoeken. Als je kijkt naar de geschiedenis, dan is er veel oorlog, maar hier al meer dan 70 jaar niet. En dat moet zo blijven.’

     

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892