Erfgoeddrager: Tessa

Mijn moeder woog nog 42 kilo toen ze terugwam uit Dachau

‘Oh, wat zijn we verwend’, klinkt het achterin de auto als we wegrijden bij het huis van Henny de Kat-Belkmeer in Nieuw Sloten. Limonade, appeltaart, ieder een zelfgemaakte kaart en ook nog een zakje paaseitjes. Terwijl het bezoek aan mevrouw De Kat op zich al speciaal was, met al haar bijzondere herinneringen aan haar oorlogstijd in Buiksloot. Wat Bram, Tessa en Anouar van Montessorischool Azaleastraat het meest bijzondere vonden om te horen? ‘Alles. Je weet wel dat er dingen gebeurd zijn in de oorlog, maar het is toch heel anders als iemand vertelt hoe het echt was.’

 

We hoorden dat bij u thuis onderduikers zaten. Kunt u daar wat over vertellen?
‘Op een avond, eind 1942, werd er gebeld. Bij de voordeur stonden twee mensen. Ze waren gevlucht uit kamp Westerbork en hadden via-via gehoord dat mijn moeder bij de ondergrondse beweging werkte. Anderhalf jaar zijn ze bij ons gebleven; ze hebben de oorlog overleefd. Het waren Ab van der Linden, die later bekend zou worden als Tita Tovenaar en als clown Flappie, en zijn vrouw. We hebben ook andere onderduikers gehad: een echtpaar met drie kinderen, een oudere man met zijn oudste zoon… Telkens werden ze na een tijdje overgebracht naar andere adressen.’

Waar zaten ze dan verstopt?
‘Ze waren gewoon in huis. We hadden onder de trap een kast, daar was een gat in geboord zodat ze konden schuilen als het nodig was. En boven op de zolder onder de balken was een schuilplaats gemaakt. Ik vond het moeilijk om ze in huis te hebben. Je was altijd bang dat er wat gebeurde. De onderduikers waren ook niet altijd voorzichtig genoeg. Ik ben zelfs op een avond met Ab van der Linden en zijn vrouw op een tandem naar de Pretoriusstraat bij het Amstelstation gefietst. Daar woonde een zuster van Abs vrouw, en hun baby was er ondergebracht. Ze wilden hun dochtertje natuurlijk graag zien. Naderhand hebben we ons gerealiseerd dat het heel onverstandig was om zomaar met onderduikers door de stad te fietsen.’

De onderduikers zijn gepakt, hoe is dat gebeurd?
‘In maart 1944 werden bij ons thuis mijn moeder en twee onderduikers, een oude dame met een zoon, opgepakt. Verder was er niemand thuis. Dat was heel erg verdrietig. De twee onderduikers hebben de oorlog niet overleefd. Mijn moeder is naar Vught gebracht, en van daaruit naar Ravensbrück en vervolgens naar Dachau, het buitencommando. Ze werkte in de Agfa-fabriek en moest gasmaskers maken. Na de oorlog hoorden we via het Rode Kruis en via kennissen dat ze nog leefde. Iedere dag gingen we bij het Centraal Station kijken of ze met de trein aankwam. Op een dag waren we net weer thuis toen er een meisje langskwam en ons vertelde dat ze onze moeder had gezien. Ze liep al op de Adelaarsweg. Daar zijn we naartoe gerend – ik heb mijn vader nog nooit zo hard zien lopen. Mijn moeder woog nog maar zo’n 42 kilo toen ze terugkwam.

Waarom bent u in Drenthe geweest?
‘Omdat we thuis te weinig te eten hadden, zouden mijn broer, schoonzusje, zusje en ik naar een oom in Friesland gaan. We vertrokken op 22 december 1944 en kwamen 7 of 8 januari 1945 in Drenthe aan, al die dagen hebben we gelopen. Onderweg hadden we een infectie opgelopen in een hooischuur waar we sliepen, scabiës, een soort eczeem. In een klooster in Klazienaveen zijn we toen behandeld met een zalf. We kwamen er in contact met een man uit Erfscheidenveen, een plaats vlakbij Emmen, die onderdak voor ons heeft verzorgd. En daar mochten we blijven tot de oorlog voorbij was. We zijn liftend weer van Drenthe naar Amsterdam gekomen, eerst een stuk bovenop een wagen vol aardappelen, en daarna op Amerikaanse en Canadese wagens..”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892