Erfgoeddrager: Tal

‘Niet alle Duitsers waren natuurlijk nazi’s’

Het is spannend om met het interview te beginnen, vooral als je niet even gezellig kunt kennismaken bij iemand in de huiskamer. Na wat technische probleempjes kan het gesprek toch beginnen en zit Fred Dubiez klaar voor de vragen die Marie, Madelief en Tal uit groep 8 van de Anne Frankschool hebben bedacht.

Hoe was het op school in de oorlog?
‘School was voor mij heel gewoon. Ik ben een zoon van een Joodse moeder en niet-Joodse vader. Ik ben gedoopt in de gereformeerde kerk, die toen in de Waalstraat stond, tussen de Amstelkade en de Noorder Amstellaan, de huidige Churchill-laan. Zodoende ben ik protestants opgevoed en ging ik naar een protestants-christelijke school, de Oranjeschool. Voor de Joodse wet ben je Joods als je een Joodse moeder hebt. Als half-Jood, zoals ik, werd je niet direct door de Duitsers opgepakt en dus kon ik gewoon naar school. School ging ook gewoon door in de oorlog. Ook de winkels waren open en de tram reed. Alleen in de Hongerwinter was de school dicht. Er was haast niets te eten toen.’

Kende u andere Joodse mensen?
‘Er woonde een Joodse familie op drie hoog tegenover ons. Naast hen woonde een NSB’er die op de verjaardag van Hitler de Duitse vlag altijd uithing. Daaronder woonde op één hoog een onderwijzer van school, dat was een christelijke man. Op een dag kwam de Grüne Polizei mensen uit hun huizen halen, de zogeheten razzia’s. Die werden naar de Hollandsche Schouwburg gebracht om vanuit daar naar de concentratiekampen vervoerd te worden. De mensen stonden allemaal op straat. Bij één gezin stond voor het portiek een vrij grote hulstboom, die de mensen daar een beetje uit het zicht hield. De buurman, van mijn school, zag dat en zei: “Volgens mij vergeten ze jullie, ga gewoon weer naar binnen”. Dat deden ze; vader, moeder, dochter en zoon. En ze werden inderdaad vergeten. Later hoorde ik dat de onderwijzer in het verzet zat en deze familie ook door middel van distributiebonnen eten heeft kunnen gegeven. Ze hebben het overleefd. Wij hadden geen onderduikers in huis. Dat was te gevaarlijk voor mijn Joodse moeder. Mijn vader werkte bij de Rijksdienst. Daar werd hem geadviseerd niet te zeggen dat ‘ie met een Joodse vrouw getrouwd was, anders zou hij ontslagen worden. Dus zei hij niets. Ik woon overigens nog altijd in hetzelfde huis als waar ik opgroeide.’

Hoe was de Bevrijding?
‘De Canadese troepen, onze bevrijders, kwamen over de Berlagebrug en de Vrijheidslaan de stad binnen. Alle mensen stonden daar te juichen. Sommige meisjes mochten meerijden op de tank. Ik kan het me nog goed herinneren. De Vrijheidslaan heette toen nog de Amstellaan en heeft tussendoor ook nog even de Stalinlaan geheten. De Churchill-laan heette toen dus de Noorder Amstellaan en de Rooseveltlaan de Zuider Amstellaan. Dat is wel leuk om te weten. Hoe ik nu over Duitsers denk door die oorlog? Tja, na de oorlog haatten we allemaal de Duitsers, maar niet alle Duitsers waren natuurlijk nazi’s. Ik vind dat je de jongere generatie niet de schuld kan geven van wat er in het verleden is gebeurd. En ook: je kunt niet altijd in het verleden blijven hangen.’
       

Erfgoeddrager: Tal

‘Opeens stond mijn moeder voor m’n neus, de oorlog was blijkbaar afgelopen’

Tal, Alexi en Mads van de Rosa Boekdrukkerschool waren onder de indruk van het mooie huis van Puck Witte-van Raalte (1932). Zij was niet de enige die de jongens over de oorlog kon vertellen, ook haar man wist nog veel over de bezettingstijd in Amsterdam. Na afloop van het interview werden Tal, Alexi en Mads beloond met een lekker ijsje.

Wat is het ergste dat u heeft mee gemaakt in de oorlog?
‘Wat ik eerst het ergste vond, maar wat later leuk bleek, was dat ik naar Friesland ben gestuurd door mijn ouders. In Amsterdam was er haast geen eten meer. Daarom werd er een groep kinderen naar Friesland gestuurd. We gingen midden in de nacht. Ik weet wel dat ik toen heel erg heb moeten huilen. Ik zat met allemaal vreemde kinderen in een auto en we reden over de Afsluitdijk richting Friesland. Niemand kende elkaar. Ik vond dat wel heel erg naar. Ik kwam bij een christelijk gezin in huis, maar omdat ik zelf niet christelijk was opgevoed, vond ik het moeilijk om me daar thuis te voelen. Uiteindelijk kon ik aan de situatie wennen en heb ik het heel erg naar mijn zin gehad in Friesland. Op een dag kwam er iemand de hoek omlopen bij de boerderij waar ik woonde. Het bleek mijn moeder te zijn die opeens voor mijn neus stond. Blijkbaar was de oorlog afgelopen. In Friesland wist je van niks, ik heb nooit een Duitser gezien daar. Voor mij was de bevrijding daarom ook heel anders dan voor de mensen in Amsterdam. Ik ben ook niet meteen na de bevrijding opgehaald. Omdat er nog steeds zo weinig eten was in Amsterdam vonden mijn ouders het beter als ik nog even in Friesland zou blijven.’

Hoe vond u de hongerwinter?
‘Dat was heel erg. Wij hadden helemaal niks meer te eten zowat. We probeerden overal eten vandaan te halen. Mijn vader en moeder gingen met de fiets naar de boeren in Purmerend toe en probeerden daar eten te kopen. Je kreeg niet voor niks van alles mee dus je moest ruilen, bijvoorbeeld sieraden en lakens. Het was heel vervelend dat je overal eten vandaan moest proberen te halen. Als je pech had, werd je eten weer afgepakt door een NSB’er of Duitser, die stond te controleren als je de stad weer in reed. Toen mijn vader in een concentratiekamp zat, moest mijn moeder alleen aan eten zien te komen. Gelukkig was zij iemand die makkelijk contact maakte. Op een gegeven moment had ze verschillende adressen in Purmerend waar ze elke week kwam, en al die mensen kenden haar op het laatst. Mijn moeder had een zak gemaakt voor onder haar kleding. Daar stopte ze al dat eten dan in zodat de spullen niet ontdekt zouden worden wanneer ze aangehouden werd. Het lijkt soms net of wij allemaal dieven en klaplopers waren als je verhalen over de oorlog hoort. Men probeerde voor elkaar te zorgen. Toen mijn vader in kamp Vught zat, hadden wij als gezin geen inkomen door zijn afwezigheid. Mensen van het verzet kwamen elke week geld brengen bij mijn moeder. Dat was toch prachtig en goed geregeld. Je moest op de een of andere manier voor jezelf zorgen want de Duitsers deden dat niet.’

Wat is er precies met uw vader gebeurd?
‘Mijn vader heeft een half jaar in een concentratiekamp in Vught gezeten. Wij wisten eerst helemaal niet dat hij was opgepakt. Hij kwam maar niet thuis van zijn werk bij de Fokkerfabriek. Toen kregen we bericht van Fokker dat hij, met een aantal collega’s, was opgepakt omdat ze geld hadden ingezameld voor eten voor mensen in een kamp. Eenmaal zelf in het kamp moest mijn vader werken, ik weet niet precies wat. Dat is heel naar, je hebt helemaal geen rechten meer. Hij kon wel briefjes naar ons schrijven en mijn moeder is één keer bij hem langs geweest in Vught. De mensen van Fokker hebben heel erg bij de Duitsers gezeurd om mijn vader weer vrij te krijgen. Ze zeiden dat hij onmisbaar was voor het werk in de fabriek en dat de Duitsers op deze manier geen vliegtuigen meer konden krijgen. Op een dag kregen we een telegram dat mijn vader thuis zou komen. Wij waren natuurlijk heel gelukkig dat we hem weer konden zien. Hij bleek wel heel erg ziek te zijn toen hij thuiskwam. Hij had nauwelijks te eten gehad en hij was geschopt. Alle buren hadden samen een mooie, grote kaart voor mijn vader gemaakt, waar ze in hadden geschreven dat ze zo blij waren dat hij weer thuis was.’

          

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892