Erfgoeddrager: Sil

‘Op zijn rug zag je de striemen van zweepslagen’

Breed glimlachend zwaait Tante Cis (1928) de deur van haar seniorenappartement open. Sil en Steffie staan oog in oog met een vrolijke vrouw met stralende ogen en een Surinaamse doek (een Angisa) om haar hoofd. Haar stralende lach stelt de leerlingen op hun gemak en het ijs is al snel gebroken. De telefoon rinkelt regelmatig tussen de vragen door, want de buren leven mee en willen horen hoe het interview gaat. Tant Cis kent ze allemaal, de bewoners van de vijf verdiepingen tellende seniorenflat in Zaandam. Want ook al is ze negentig jaar, ze staat nog midden in het leven.

Hoe was het voor u om in een groot gezin op te groeien?

‘Ik had een vrolijke jeugd in Suriname. Ik groeide op in Marowijne met vijftien broers en zussen, waarvan er twee niet groot zijn geworden. Thuis was het een gekke vrolijke boel, maar iedereen had wel een vaste taak om mee te helpen in het huishouden en op de plantage. Mijn moeder had hele grote pannen in de keuken om voor iedereen te kunnen koken. Armoede heb ik niet gekend, want er was altijd eten. Mijn vader verbouwde op de plantage allerlei gewassen zoals cassave, rijst, patat, amsoi, watermeloen en ruikerriet. Van het werken op de plantage werden we sterke en gezonde kinderen.’

Hoe was het thuis?

‘Mijn ouders waren fijne mensen en allebei waren ze heel sterk. Mijn moeder deed hetzelfde werk als mijn vader. Iedereen mocht bij ons mee-eten. Afkomst maakte niet uit, we hadden plek voor hindoestanen, bosnegers, creolen, echt iedereen was welkom. Mijn ouders waren gastvrij en altijd vrolijk en dat zijn we allemaal nog steeds in de familie. Mijn grootvader heeft de slavernij meegemaakt, hij heeft ons zijn rug laten zien waarop je de striemen zag van zweepslagen. Hij wilde er nooit over praten. Ik vloek nooit, maar ik weet nog dat ik heb gevloekt toen hij het aan ons liet zien.’

Waarom bent u naar Nederland gegaan?

‘Als het aan mij had gelegen was ik nooit en te nimmer naar Nederland gekomen. Maar ik werkte al een paar jaar in Paramaribo bij een ontzettend lief Nederlands echtpaar dat naar Nederland ging. Ze wilden mij niet achterlaten en hebben mijn ouders en mij toen overgehaald. Ik zei eerst: ‘Nee, hoor! Ik ga niet naar Nederland’, maar nadat mijn ouders hadden aangeboden om op mijn twee kinderen te passen (mijn dochter woonde al in Nederland) ben ik toch met ze meegegaan. Ik was toen al 41 jaar. Na anderhalf jaar ben ik mijn andere kinderen zelf gaan ophalen en zijn we samen in Nederland gaan wonen. Eerst nog in Rotterdam en daarna in Zaandam.’

Wilde u niet terug naar Suriname?

‘Ik had afgesproken dat ik terug zou gaan als het me niet zou bevallen. Maar deze mensen waren zo aardig dat ik bleef. Ik ging ieder jaar terug naar Suriname zolang als mijn ouders leefden. Mijn vader is uiteindelijk 85 geworden en mijn moeder is 101 en 8 maanden geworden. Nadat zij overleed ging ik niet meer elk jaar naar Suriname. Maar dit jaar wel; ik ga in april weer naar mijn broer en zusje, ik heb er nu al zin in om ze weer te zien!’

 

 

 

Erfgoeddrager: Sil

‘Je moest altijd op je hoede zijn voor verraders’

Om de hoek van de Admiraal de Ruyterschool woont Marie Jongbloed. Zij woont hier al sinds de oorlog. Reden voor Loek, Jaysa, Kenji en Sil om haar te interviewen over haar herinneringen aan die tijd. Marie liet onder andere een schuilplek in huis zien waar haar broers tijdens de oorlog ondergedoken zaten.

Als u iets kon veranderen aan uw kindertijd in de oorlog, wat zou dat dan zijn?
‘Dat er meer eten was. Je had als kind niet zo last van angst. Ik was namelijk pas vijf jaar toen de oorlog uitbrak. Ik stond op het balkonnetje toen de buurvrouw van de overkant riep dat ik tegen mijn vader moest zeggen dat de oorlog was uitgebroken. Al snel zag je steeds vliegtuigen overvliegen en Duitse militairen op straat lopen. Dat er geen eten was, was het ergst. Al de winkels gingen dicht. Mensen gingen stelen. Ik heb zelf ook iets gestolen. Aan de overkant woonde een familie met een eigen bakkerij. Mijn vriendje Chris en ik zagen dat daar brood werd gebracht. De één leidde die mevrouw af en de ander pikte het brood. We hebben daar om de hoek in de bosjes stiekem dat halve brood opgegeten. Omdat mijn vader ziek was, moesten mijn oudste broers en zussen voor het eten zorgen. Ze gingen helemaal lopen naar Andijk met een handkar om eten te zoeken. Mijn zus ging ook een keer met de fiets helemaal naar Groningen. Mijn ouders stonden steeds voor het raam te wachten tot de kinderen thuis kwamen. Toen hadden we geen mobiele telefoon dus je moest maar afwachten.’

Wat vond u van onderduiken?
‘Dat was natuurlijk heel zielig voor die mensen en voor de ouders. Als ze die kinderen te pakken kregen, was er alleen maar verdriet. Iedere ouder wil z’n kind bij zich hebben. Mijn eigen broers moesten ook onderduiken, die lagen hier boven in de kast. Dat was rond 1943. Er waren een heleboel NSB’ers hier in de buurt en die gaven door waar er nog jonge mannen waren. Hier in de straat woonde ook familie van ons, dat waren mijn neven van 15 en 16 jaar. Buren waarschuwden elkaar wanneer de Duitsers kwamen voor die jongens. Er zat een holle ruimte boven de kasten waar ze met z’n tweeën of drieën inkropen. Gelukkig zijn ze nooit ontdekt. Mijn vader hoefde niet onder te duiken. Hij was afgekeurd omdat hij erg ziek was. Je moest altijd op je hoede zijn voor verraders. Hier beneden woonde ook een NSB’er, meneer Eijs. Als de Duitsers met vliegtuigen overkwamen, stond hij te juichen in zijn tuin. Mijn vader was kleermaker dus die had een hele grote strijkbout. Hij wilde het liefst die strijkbout naar het hoofd van die buurman gooien, maar gelukkig heeft mijn moeder hem tegengehouden. Zo diep zat de haat tussen mensen onderling.’

Heeft u nog spullen uit de oorlog?
‘Ik heb nog een schaaltje uit die tijd. Kinderen die het thuis niet breed hadden, mochten zo nu en dan eten bij een klasgenoot die het wel goed had. Ik mocht wel eens eten bij Betty, een meisje met blonde pijpenkrullen. Wij kregen hartstikke lekker te eten daar. Ik kreeg ook altijd eten mee naar huis voor mijn broertjes en zusjes en dat zat in dit schaaltje. Ik heb het altijd bewaard. Ik mocht ook wel eens bij oudere mensen in de Bestevâerstraat eten. Ik kreeg daar zelfs vlees te eten, dat was heel bijzonder in die tijd. Vroeger zat er nog geen elastiek in de broeken maar droeg je een touwtje om je middel zodat je broek omhoog bleef. Ik had een keer zo veel gegeten dat het touwtje van mijn broek knapte toen ik weer naar huis liep.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892