Erfgoeddrager: Sami

‘Op mijn hoofdkussen lag een bomscherf’

Co Berendse woont op de Jacob van Lennepkade en kijkt uit over het voormalige ziekenhuis waar hij geboren is. Sami, Adam en Tugrul van de Corantijn worden welkom geheten met blikjes fris en overal hangen schilderijen. Co vindt het heel goed dat ze er zijn en fijn dat ze verhalen over de oorlog te horen krijgen op school.

Hoe was uw leven tijdens de oorlog?
‘Het is zo lang geleden, zelfs voor mij. Hoe oud was ik ook alweer? Ik was tien jaar toen de oorlog begon. Op die leeftijd heb je niet echt een idee ervan. Ik herinner me wel dat er iets vreemds aan de hand was. In de oorlog woonde ik op de Da Costakade. Die straat was vernoemd naar een Joodse dichter en dat wilden de Duitsers niet. Toen stond ons huis opeens aan de Goeverneurkade. Ik was dus verhuisd zonder te verhuizen.
Als het luchtalarm ging, moesten we beneden in het trapportaal zitten. Dat was eigenlijk helemaal niet veilig, want alles was van hout. Er waren ook wel schuilkelders, maar die waren heel vies, omdat die ook vaak als toilet werden gebruikt. Ik was op zo’n moment wel bang, maar je stapte er ook zo overheen. Ik zat op de Bilderdijkschool in de Potgieterstraat. Daar is nu een kunstwinkel. Omdat ik veel schilder kom ik er nog wel eens. Aan het einde van de oorlog hadden we alleen nog maar in de ochtend school, omdat er geen verwarming mogelijk was. We kregen ook Duitse les op school. De leraar heeft ons een liedje geleerd dat we konden zingen als ze kwamen controleren. Je hoorde toch veel Duits op straat, dus ik kon het wel een beetje spreken ook.’ Co Berendse zegt in het Duits: ‘Wat zal ik zeggen, je verstaat het toch niet’.

Heeft u erge dingen meegemaakt?
‘Ik ben nooit zelf door iets geraakt en is er ook niemand uit mijn omgeving omgekomen, maar ik heb wel bommen zien vallen. Naast ons huis was een school en daar zaten Duitsers in. Dat gebouw werd op een nacht gebombardeerd. Toen ik wakker werd, lagen alle ramen eruit en op mijn hoofdkussen lag een bomscherf. Als ik iets meer bewogen had, was ik dood geweest. Hier aan de overkant was het Wilhelmina Gasthuis, een heel groot ziekenhuis, ook dat hebben ze gebombardeerd. En in de Kinkerstraat was een bom dwars door een huis gegaan en die eindigde in de kelder. Als jongetje ga je daar dan kijken, want je gaat op avontuur. Zo was er in februari 1941 de Februaristaking. Trams werden tegengehouden en er werd geprobeerd om een tram om te gooien. Wij stonden daar ook bij. Toen de politie kwam, vlogen alle deuren open en doken we de portieken in. Er is toen gelukkig niemand van ons opgepakt. We kenden ook wel Joodse mensen, zoals de man van mijn tante Jo. Hij is ondergedoken en gelukkig niet opgepakt. Ik stond er nooit bij stil dat Joodse mensen een apart soort mensen waren.’

Hoe liep de oorlog af?
‘Alles was op de bon. Ik vind het nu nog steeds heel bijzonder dat je brood kan kopen zonder bon. Mijn vader bezorgde kranten en brood, dus wij hadden wel eens extrate eten. Of we gingen naar Halfweg om koren te halen die op het veld waren blijven liggen. Toen de bevrijding kwam, was het overal feest. Ik weet niet waar alle spullen toen vandaan kwamen. Als we hoorden dat de Canadezen ergens kwamen, renden we daarheen, want we hadden geen fietsen meer. Mijn moeder heeft de oorlog verleefd, maar door een tekort aan voedsel had ze hongeroedeem. Ze is niet zo lang na de oorlog alsnog overleden. Ik ben heel lang anti-Duits gebleven; zo wilde ik nooit door Duitsland heen rijden als we op vakantie gingen. Maar het slijt wel, zeker de Duitsers van nu hebben geen schuld. De herdenking op 4 mei sla ik nooit over, zeker met de huidige situatie. Er is overal oorlog.’

De kinderen lopen na het gesprek met Co Berendse naar de brug vanaf waar hij het oude ziekenhuis heeft geschilderd. Daar werd hij geboren, tijdens de oorlog werd het gebombardeerd en nu woont hij er tegenover. Het schilderij lijkt precies.

    

Erfgoeddrager: Sami

‘Onze buurman had een dubbele bodem in de kinderwagen gemaakt zodat mijn ouders eten daarin konden smokkelen’

Marianne Appelboom is geboren in 1947 dus heeft zelf de oorlog gelukkig niet meegemaakt. Ze kan wel heel goed vertellen over wat haar ouders allemaal is overkomen in die tijd. Ze woonden op de Bloys van Treslongstraat, niet ver van de Admiraal de Ruyterschool waar Gilly, Kenya en Sami naar school gaan. De ouders van mevrouw Appelboom hadden hier een slagerij.

Hebben uw ouders verzetsdaden gepleegd?
‘Onze buurman was timmerman. Hij had heel handig een dubbele bodem in onze kinderwagen gemaakt. Bij de Willem de Zwijgerlaan kwamen steeds schepen aan, met aardappels of met andere ladingen. Mijn tante keek vanuit haar huis uit op die boten. Op een gegeven moment wist ze precies wanneer er boten kwamen met aardappelen. Dan werden de buren bij elkaar getrommeld en moest je de wacht houden. Na acht uur ’s avonds mocht je eigenlijk de straat niet meer op namelijk. Ze moesten op hun buik door het gras kruipen om bij die boot te komen. Dan hoorden ze die Duitsers lachen. Vaak waren ze aan het drinken. Mijn ouders en de buren jatten dan die aardappels en dat ging dan in die kinderwagen. Ze hadden ook een soort rugzakjes gemaakt waar ook spullen in werden vervoerd. Mijn vader had in de slagerij zo’n grote snijmachine, dat was zijn trots. Hij moest hem eigenlijk inleveren bij de Duitsers, maar dat ging mijn vader mooi niet laten gebeuren. De snijmachine is toen op de Rozengracht bij de brandweer ondergebracht. In die kazerne gebeurde ook van alles en nog wat stiekem. Er werd daar extra eten geregeld voor mensen die onderduikers in huis hadden, want die hadden te weinig voedselbonnen om ook voor hun onderduikers te zorgen. Mijn vader kon daar, bij de brandweer, het vlees snijden.’

Wat is het ergste wat uw familie heeft mee gemaakt tijdens de oorlog?
‘Alles moest stiekem en alles moest op vertrouwen. Dat vond mijn vader het allerergst van de oorlog. Dat je niemand kon vertrouwen. Dat je niet kon zeggen wat je dacht. Na de oorlog werd hij altijd kwaad als mensen mopperden als er weer verkiezingen waren. Hij vond dat iedereen zijn of haar stem moest gebruiken. Wat er is gebeurd in 1940-1945 mag nooit meer gebeuren. En je ziet het, het gebeurt nog steeds. En alleen maar omdat je anders bent dan anderen. Het is belachelijk. Het gaat er om hoe je hart is. Wat mijn vader ook altijd is bijgebleven, is een schietpartij waar hij getuige van was. Mijn vader liep die dag in zuid op straat en toen werden er zomaar een stuk of tien mensen opgepakt en op een rij gezet. Alle andere mensen die daar toevallig liepen, moesten toekijken hoe die tien mensen werden doodgeschoten. Dat beeld is hem altijd bijgebleven. Mijn moeder zei dat mijn vader helemaal overstuur was toen hij thuis kwam. Mijn moeder wist niet wat er gebeurd was want mijn vader kon niet eens meer praten. Later is er op die plek een gedenkteken gekomen.’

Waren er mensen in de oorlog die uw ouders beter niet hadden kunnen vertrouwen?
‘Mijn vader had een slagerij en verderop in de straat zaten een melkboer, groenteman en de bakker. In de oorlog hielp iedereen elkaar. De één had melk, de ander had vlees. Tenminste als je zeker wist dat je ze kon vertrouwen. Want dat was in de oorlog ook niet altijd zo. Mijn ouders kregen al snel door dat het foute boel was met die oorlog. Ze gingen zo goed als kon voedsel inslaan. In de kelder van de slagerij hadden we hele grote voorraadpotten staan. Daar hadden ze dingen ingedaan als zeep, vet en zout. Daar ging dan een laagje van kurk overheen, zodat mensen die in die kelder kwamen niet zouden merken dat daar voedsel in zat. De bezetters kwamen namelijk vaak controleren. Mijn moeder had ook zeep geruild met een buurvrouw. Op een gegeven moment was het zeep op dus ging mijn vader naar de kelder om nieuw zeep te pakken. Toen bleek dat ze waren belazerd. Er zat geen zeep in, maar zand. In de straat woonde op nummer 16-1 een hele chique dame. Niemand had nog mooie kleding of schoenen in die tijd maar deze vrouw zag er altijd tiptop uit. Ze liep in bontjassen over straat. Mijn moeder noemde haar altijd een kakmadame. Zij heulde met de Duitsers. Verderop woonde een gezin op drie hoog en die hadden stiekem joodse mensen in huis. Die vrouw van nummer 16 heeft ze verraden. De onderduikers zijn toen weggevoerd naar Duitsland.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892