Erfgoeddrager: Sam

‘Oma was gek op ‘angorkie’ (augurk) en dat woord doet me nog altijd aan haar denken’

Marleen, Evelyn en Sam waren ruim een kwartier te vroeg aan bij het huis van Marion Perk in Zaandam, maar dat maakte niet uit, ze stond al klaar om hen te ontvangen. De muren van het huis hangen vol met foto’s van haar Surinaamse familie. Ze vertelt er uitgebreid over, terwijl de leerlingen genieten van een stuk ‘bruine koek’.

Hoe was uw jeugd als kind in Suriname?

‘We woonden eerst in district Nigerie, West Suriname, tegen de Engelse kant aan. Toen ik zeven was verhuisde ik met mijn ouders en mijn zeven broertjes en zusjes naar Paramaribo. Mijn oma, de moeder van mijn moeder, wilde niet mee. Toen ze ziek werd, stuurden mijn ouders mij terug om voor haar te zorgen. Ik was met mijn acht jaar de oudste van het gezin, dus het was logisch dat ik dat deed. Mijn oma had een grote wond op haar scheenbeen en kon alleen nog maar kruipen. Achteraf denk ik dat ze suikerziekte had, maar dat wisten we toen nog niet. Ik verzorgde haar en deed de boodschappen, dus ik ging niet naar school. Ik heb veel goede herinneringen aan haar. Ze was gek op ‘angorkie’ (augurk) en dat woord doet me nog altijd aan haar denken. En bij het licht van de olielamp leerden ze me een lied uit het gezangboek dat ik nog steeds zing.’

Wat vond u ervan dat Suriname een Nederlandse kolonie was?

‘Ik had een fijn leven in Suriname. Mijn vader was timmerman en mijn moeder maakte kleding. Als de scholen weer begonnen, werkte ze vaak ‘s nachts nog door omdat de leerlingen nieuwe kleding nodig hadden. Pas als laatste maakte ze jurken voor ons, van het stof dat er overbleef. In Paramaribo hadden we een vrouw die onze was deed. Maar strijken kon ze niet, dat deed ik zelf. Als het regende gingen we in de regen baden, al vond mijn moeder dat niet meer goed toen ik ouder werd. Ik genoot van alle Nederlandse feestdagen, die daar uitgebreid gevierd werden. Op 31 augustus was Wilhelmina jarig, dan had je de Koninkrijksspelen, een sportevenement van de landen die onder Nederland vielen. Het ene jaar werd het in Curaçao gehouden en het andere jaar in Suriname. Ook vierden we de Volksspelen op de derde dinsdag in september. Dan was het echt feest. Zelf vond ik het helemaal niet erg dat we onder Nederland vielen. Toen Suriname onafhankelijk werd in 1975, was ik al hier. Maar volgens mij hadden de inwoners het vroeger beter dan nu.’

Hoe was het toen u naar Nederland kwam?

Ik was toen 23 jaar. Ik kwam in november aan en vlak daarna sneeuwde het. Dat was heel apart, ik had nog nooit sneeuw gezien. Mijn verloofde kwam hier studeren en ik ging hem achterna. Ik deed hier arbeidstherapie en was groepsleidster. Ik voelde me snel op mijn gemak hier. Wel merkte ik dat mensen soms anders tegen mij deden, maar dat vond ik niet erg. Ik was nieuw voor hen, zag er apart uit, dat was het. Wel zie ik verschillen: Nederlanders zijn directer en minder streng met kinderen. En Surinamers zijn drukker, uitbundiger. Inmiddels woon ik hier al 54 jaar en werk ik met ouderen. Nederland is mijn thuis. Als ik in Suriname ben, wil ik na drie-vier weken weer naar terug mijn eigen huis. Mijn dochter is een keer mee geweest, maar voor haar hoeft het niet meer, ze vond al die muggen en beestjes daar vreselijk. Mijn zoon had het wel naar zijn zin.

Hoe staat u tegenover de Zwarte Pietendiscussie?

We vierden in Suriname net als hier ook altijd Sinterklaas en ik vind het een leuk feest. Die hele discussie nu over discriminatie begrijp ik niet zo. Voor mij is het volksfeest dat je met kinderen viert. En ik ben gek op het maken van surprises.

 

 

Erfgoeddrager: Sam

‘Ze noemden me het jongetje dat zijn naam was vergeten’

Jack Eljon was drie toen de oorlog begon en begreep niets van wat er om hem heen gebeurde. “Ze komen eraan!” werd hem verteld. Wat er in de vijf volgende, heftige jaren met zijn Joodse familie en hemzelf gebeurde, vertelt hij aan Sam, Mohamed en Florian van de 3e Daltonschool in Amsterdam-Zuid.

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Ik was bijna drie, een peuter nog. Ik herinner me nog goed het oorverdovende geluid van de vele vliegtuigen die ’s ochtends vroeg overvlogen. “Ze komen eraan”, dat was wat iedereen zei. En met ‘ze’ bedoelde men de nazi’s. Ik vertrok samen met mijn ouders naar Schoorl, een dorpje vlakbij Alkmaar. Daar stikte het van de Duitsers, omdat het vlakbij de kust lag waarvandaan de Duitse schepen naar Engeland vertrokken. Ik kon daar als klein jongetje gewoon op straat spelen en de Duitsers groetten me zelfs. Pas vanaf je zesde moest je een Jodenster dragen. Mensen met zo’n ster hielden uit schaamte een krant of iets anders voor de ster als ze over straat liepen.’

Wat was het dierbaarste dat u bent verloren tijdens de oorlog?
‘Mijn vrijheid. Maar ook mijn ouders miste ik ontzettend. Ik zat zonder hen ondergedoken en heb ze vier jaar niet gezien. En niemand kon me vertellen waar mijn ouders waren en of ze nog wel terug zouden komen. Ik vond het een verschrikkelijke tijd. Eerst zat ik bij een tante in Haarlem. Daar had ik het nog goed. Totdat er een grote huiszoeking plaatsvond in onze buurt. De buren, NSB’ers, hebben mij toen over de schutting heen getild zodat ik ternauwernood ontsnapte aan de dood. Zij hebben dan wel mijn leven gered, maar ook verpest. Zij hielpen ook de nazi’s.
Later woonde ik bij een gezin in Zeist, maar ook daar was het weer raak. De SS kwam aan de deur toen ik op school zat. Gelukkig hoorde de bakkersknecht verderop wat er aan de hand was. Die is met zijn bakkerskar richting mijn school geracet. Daarin vervoerde hij me naar de dominee. Achteraf hoorde ik dat we de soldaten gekruist hebben, omdat er maar één grote weg was in Zeist die naar mijn school leidde. Ik vind het nog steeds eng om te denken aan wat er had kunnen gebeuren als ik toen gepakt was. De vrouw waarbij ik ondergedoken zat, heeft zelfs enige tijd in de gevangenis gezeten omdat ze niet wilde vertellen waar ik zat. Uiteindelijk zetten ze een pistool tegen haar hoofd en zeiden: “Jij kan niet praten? Dit ding wel!” Toen is ze toch gaan praten en heeft ze mevrouw Was verraden, de vrouw die onderduikadressen voor Joodse kinderen regelde. Ook die van mij. Mevrouw Was werd vervolgens door de nazi’s gevonden, op het moment dat er een Joods meisje bij haar in huis was. Zij zijn allebei vermoord. Ik vind het nog steeds zo verschrikkelijk als ik daar aan denk… Als ik daar niet was geweest, dan hadden zij misschien nog wel geleefd.’

Heeft u uw ouders ooit weer gezien?
‘Mijn ouders hebben de oorlog overleefd. Ze zaten niet samen ondergedoken. Na de bevrijding, ik zat toen in Friesland ondergedoken, werd er een soort kamp opgezet voor gezinshereniging. Daarvoor moesten ze alleen wel je naam weten, maar als er iets was dat ik had geleerd tijdens het onderduiken dan was het dat je je echte naam nooit mocht vertellen. Zo kwam ik bekend te staan als het jongetje dat zijn naam was vergeten. Achterop de fiets werd ik naar Sneek gebracht om daar mijn moeder na vier jaar weer te zien. Ik werd naar een kamer geleid waar zeventien vrouwen op een rij zaten. Een van hen zou mijn moeder moeten zijn. Ik zag haar gelijk. Zoiets voel je gewoon. Maar ik mocht niet meteen naar haar toe. Ik moest de hele rij afwerken om te kijken of deze ene vrouw wel echt mijn moeder was. We wisten het allebei honderd procent zeker. Mijn vader zat al die tijd in Groningen. We waren ontzettend blij dat we alle drie de oorlog hadden overleefd, maar het was niet niks. Mijn vader wilde er niet over praten. Mijn moeder wel. Er was geen opvang, niks. Nu gaat alles gelukkig goed met me en ben ik blij dat ik mijn verhaal nog kan delen.’

             

Erfgoeddrager: Sam

‘We aten brood met schuifkaas’

Sam, Naoufal, Lena en Roef van De Boomgaard ontvangen Henk Smit op school. Het is mooi weer, dus ze besluiten het gesprek in de speeltuin bij school te houden. Daar blijkt Henk Smit al te zitten! Snel krijgt hij een goede stoel en koffie aangeboden.

Wanneer begon voor u de oorlog?
‘Ik was zes jaar en woonde aan de Van Oldenbarneveldtstraat, vlak achter de Nassaukade. Ik herinner me dat er schuilkelders werden gebouwd in de stad. Als er bommen zouden vallen, kon je daar schuilen. Ik herinner me ook het geluid van de laag overvliegende vliegtuigen: brrrrrrrrrrrrrrrom. In het begin leek de oorlog nog mee te vallen, maar na een jaar of twee werden Joodse leraren ontslagen en moesten Joodse mensen een gele ster dragen. Wat mij verboden werd, was een boek. Ik zat op een Franse school en die werd opgeheven omdat het de Duitsers niet beviel, dat Frans. Ik moest naar een andere school, in de Amaliastraat. Moet je je voorstellen hoe dat is, om niet meer naar je eigen school te mogen.’

Wat deed u zoal in die periode?
‘Er was weinig te doen, weinig vertier. Een leuk uitje was naar de markt op het Waterlooplein. Dit was de Joodse buurt waar dus veel Joodse mensen woonden. Ik ben in die tijd ook een keer hier, vlakbij jullie school, geweest. Er woonde een meisje waar mijn vriendje verliefd op was, en ik ging met hem mee naar haar huis. Onderweg hebben we een keer een meisje uit het water gered nog. Toen moest ik me thuis wel eruit praten waarom ik daar helemaal was geweest. Later in de oorlog was er steeds minder te eten. Wij aten schuifkaas. Dan had je een klein plakje kaas dat je steeds over je boterham schoof, zodat je bij elke hap brood tenminste nog een beetje kaas proefde. Er was ook gebrek aan kleding – ik heb op klompen gelopen, dat was lekker warm – en glas bijvoorbeeld. Ik had één jampotje dat ik steeds meenam naar de kruidenier voor 2 ons jam. Dat woog hij af door eerst het lege potje te wegen. Zo deed men dat vroeger.’

Hadden jullie het moeilijk in de oorlog?
‘Mijn moeder was veel ziek en ik kookte daarom vaak. Dat moest op een kachel met een klein potje erop waar je stukjes hout in kon doen om vuur te stoken. Ik mocht gewoon fikkie stoken in de huiskamer! De planken in de kast zijn één voor één in stukjes gehakt en in de kachel verdwenen. Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Daar ontdekte ik dat boerenmensen helemaal niet dom zijn, zoals men in de stad wel eens beweerde. De boer had drie hoogopgeleide kinderen en het werk was interessant; ik heb nog jarenlang in de zomer bij hem gewerkt op het land. Hij was ook aardig voor de mensen. Velen kwamen langs de deur, vrouwen met kinderwagens ook. Hij liet ze ook overnachten, soms zaten er wel vijftien mensen ‘s avonds aan tafel bij hem. De volgende dag gingen ze verder op de fiets met wat tarwe en aardappelen. Sommige mensen verbleven er als onderduiker. Ik kon daar zelf tot 17 april 1945 blijven. Toen werd de Wieringermeer onder water gezet. Ik kreeg daarna onderdak bij de boerenknecht en zijn vrouw in Nieuwe Niedorp. Van de oorlog merkte ik niet veel. Af en toe zag ik gevechten tussen de Duitsers en Engelse vliegeniers in Spitfires. Ik ging pas eind juni terug naar huis en heb niks van de bevrijding meegemaakt.’

               

Erfgoeddrager: Sam

‘Op het schoolplein speelden we vliegtuigje’

‘Pas zeven? En u heeft zo veel onthouden, wat een goed geheugen!’, zegt Mattew als Jan van Langen vertelt dat hij zeven jaar was toen de oorlog begon. Samen met Sam en Anglo van de Twiskeschool in Noord heeft Mattew het interview tot in details voorbereid. Zij zijn vooral benieuwd hoe het in de klas was tijdens de oorlog; zat meneer Van Langen met Joodse kinderen in de klas of met kinderen van NSB’ers. Veel kinderen uit hun eigen klas hebben een andere achtergrond of geloofsovertuiging. De jongens kunnen het zich niet voorstellen hoe dat in de oorlog moet zijn geweest, dat plotseling een deel van de klas niet meer welkom is en dat andere kinderen het daar dan mee eens zijn. ‘Machteloos ben je’, zegt meneer Van Langen, ‘dat heb ik me in de oorlog wel eens gevoeld’.

Had u een zwaar leven in de oorlog?
‘Ik was nog kind en het viel daarom wel mee. Ik leefde gewoon, net zoals jullie nu. Het moeilijkste was dat mijn vader tijdens de oorlog in Duitsland zat. Hij werkte als chauffeur in Berlijn en moest van alles rondbrengen, zoals meel naar de bakker. Hij woonde in de buurt van een kamp, maar was zelf geen gevangene. Hij was een dwangarbeider. Toen hij nog in Amsterdam woonde, had hij gestaakt. Daar waren de Duitsers achtergekomen. Hij kreeg een briefkaart toegestuurd waarop stond: ‘Omdat u goed werk in Duitsland geweigerd heeft, mag u in Nederland niet meer werken en krijgt u geen uitkering meer’. Toen had hij een probleem, want hij had negen kinderen waarvoor hij moest zorgen. Wat moest hij, onderduiken? Maar dan kreeg je geen eten, geld of bonnen. Dus toen heeft hij toch besloten om naar Duitsland te gaan, en heeft hij er verplicht gewerkt. Na de oorlog zag ik hem pas weer.’


Had u NSB’ers in de klas?

‘Bij ons in de buurt woonden twee NSB-gezinnen. En hun kinderen zaten bij mij in de klas. Mijn vrienden en ik waren niet zo aardig voor hen. Dan speelden we bijvoorbeeld vliegtuigje op het schoolplein, en renden we met onze armen gespreid en zo op elkaar schietend ‘gdeng-gdeng-gdeng’. Die NSB-kinderen waren de Duitse vliegtuigen en wij de Engelse, en dan konden ze wel flinke klappen krijgen. Of die keer dat Hitler jarig was en de NSB-kinderen in hun uniform naar school kwamen. Toen hebben wij hen op het schoolplein bekogeld met stenen en gemene liedjes gezongen. De broeders, dat waren de meesters op de katholieke school, sprongen er gauw tussen. Iedereen moest meteen de klas weer in en wij kregen op onze sodemieter. Achteraf gezien denk ik: dat was toch eigenlijk niet leuk van ons, die kinderen konden er natuurlijk ook weinig aan doen. Die moesten gewoon doen wat hun ouders zeiden.’

Kende u Joodse mensen?
‘In mijn buurt woonden niet veel Joden, het was een echte katholieke buurt. Maar op een zekere zondagmorgen, ik was toen negen jaar oud, liep ik op het Mercuriusplein. Op dat plein zat de ijswinkel van Tobias, een hele aardige man. Terwijl ik daar liep, kwam er een jongetje naar me toe dat me vroeg of ik een ijsje voor hem wilde kopen. ‘Kan je dat zelf niet dan?’, vroeg ik. ‘Nee, ik mag er niet in, kijk maar’, antwoordde hij, en hij wees naar de ster op zijn borst, waarop stond ‘Jood’. Bij alle winkels, in trams, op stations, eigenlijk op alle openbare plekken stonden bordjes met ‘Verboden voor Joden’. Joodse mensen konden alleen nog maar op aangewezen plekken aan spullen komen, maar dat was ook niet veel. Het jongetje gaf mij geld, wel een rijksdaalder, en een grote schaal waardoor ik voor zijn hele familie ijs kon kopen. Toen hup, met een noodgang naar zijn huis, via de Kometensingel naar de Nieuwe Maanstraat. Daar kreeg ik ook een ijsje. Ik vond dat wel leuk want ik had zelf ook niks. Ik heb nog een paar keer boodschappen voor dit gezin gedaan. Totdat ik op een dag op de Kometensingel liep, vlakbij hun huis, en zag dat er veel mensen buiten stonden. Plotseling kwam er een vrouw naar mij toe, die me bij mijn lurven pakte en zei: ‘Meekomen jij’. Ik wilde nog protesteren, maar nee, ik moest meekomen, en werd zo het huis ingetrokken. Daar legde ze uit dat ik niet meer naar het huis van het Joodse gezin kon omdat ze waren meegenomen, afgevoerd.’

Erfgoeddrager: Sam

In Amsterdam zag je geen enkele kat meer

Aan het begin van de oorlog was Gerrit Mijzen 15 jaar en werkte hij bij kantoorboekhandel De Gebroeders Winter aan de Looiersgracht. Om de arbeidsdienstplicht te ontlopen is hij naar zijn ome Jan in Vinkeveen gelopen om daar op het land te werken voor de Heidemaatschappij. Toen hij daar niet meer kon blijven is hij naar de Wieringermeerpolder gelopen en bij een boer gaan werken. Aan Sam, Rens en Charlie van basisschool Oscar Carré vertelt hij zijn verhaal.

Hoe kwam uw familie in de oorlog aan eten?
‘Uit Vinkeveen smokkelde ik aardappels en vlees naar mijn familie in Amsterdam. Dat deed ik lopend met een handkar die ik in de Atjehstraat had gehuurd. Bovenop het eten legde ik turf en rommel zodat ik niet gesnapt werd door de crisiscontrole-ambtenaren. De laatste keer dat ik uit Vinkeveen kwam, heb ik een dikke kat meegenomen die we hebben opgegeten. In Amsterdam zag je geen enkele kat meer. Daarna ben ik vanuit Wieringermeer, waar ik bij de boer werkte en goed te eten kreeg, met de handkar eten gaan smokkelen naar mijn familie in Amsterdam.’

Wat vond u een bijzondere gebeurtenis tijdens de oorlog?
‘Op een dag, toen ik vanuit Wieringermeer met de handkar eten naar Amsterdam smokkelde, werd ik in de omgeving van Purmerend aangehouden door een Duitser. Hij vroeg of ik honger had. Ik zei ja, ik heb altijd wel honger en had best wel trek van dat verre lopen. Van die Duitser kreeg ik een bonnetje en daar kon ik in Oosthuizen bij de bakker een Duits brood voor krijgen. Hij vroeg of ik nog geld had en dat had ik. En bij de bakker kocht ik een Duitse Küch. Toen ik terug kwam bij mijn karretje, wilde ik weer weggaan. Maar toen zei de Duister dat ik eerst het broodje helemaal moest opeten. Want hij zei dat hij wel eerder een broodje had weggeven en vervolgens stonden ze het te verkopen. Dat wilde hij niet, hij vond dat als ik honger had het best zelf kon opeten. Dat was echt een goede Duitser, die waren er ook.’

Hoe ging het aan het einde van de oorlog?
‘Toen heb ik van de hand in de tand geleefd, als een landloper, dan weer een dagje hier en dan weer een dagje daar. Ik liep in één dag van Amsterdam naar Hoorn op houten zooltjes met riempjes, want schoenen had je niet. Dat was 45 kilometer lopen. In Hoorn overnachtte ik in een kaaspakhuis en dan liep ik meestal richting Abbekerk, vanaf daar kon je ergens wat te eten krijgen. Op het laatst moest je lakens of zout meenemen om te ruilen, ander kreeg je niets. Tijdens de hongerwinter was het verschrikkelijk koud, 15/16 graden vorst. Ik heb toen een keer net voorbij Hoorn tijdens een sneeuwstorm met mijn blote voeten en karretje in de sneeuw vastgezeten. Het was vreselijk. Een boer heeft toen met zijn paard mijn karretje uit de sneeuw getrokken. Bij hem mocht ik, als ik werkte voor de kost, een paar dagen blijven. Toen ben ik weer richting Wieringermeer gelopen, dat was rond de Kerst. En als ik voorbij de huizen liep dan werd er op het raam getikt en werd ik uitgenodigd om te eten. Want van de gaarkeuken hadden ze extra eten gekregen voor voorbijgangers. Vanwege de kou liep er niemand op straat en zo ben ik Abbekerk door gelopen waar ik om de twee huizen te eten kreeg.Ondanks dat werd het aan het einde van de oorlog steeds beroerder.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892