Erfgoeddrager: Sam

‘Op het schoolplein speelden we vliegtuigje’

‘Pas zeven? En u heeft zo veel onthouden, wat een goed geheugen!’, zegt Mattew als Jan van Langen vertelt dat hij zeven jaar was toen de oorlog begon. Samen met Sam en Anglo van de Twiskeschool in Noord heeft Mattew het interview tot in details voorbereid. Zij zijn vooral benieuwd hoe het in de klas was tijdens de oorlog; zat meneer Van Langen met Joodse kinderen in de klas of met kinderen van NSB’ers. Veel kinderen uit hun eigen klas hebben een andere achtergrond of geloofsovertuiging. De jongens kunnen het zich niet voorstellen hoe dat in de oorlog moet zijn geweest, dat plotseling een deel van de klas niet meer welkom is en dat andere kinderen het daar dan mee eens zijn. ‘Machteloos ben je’, zegt meneer Van Langen, ‘dat heb ik me in de oorlog wel eens gevoeld’.

Had u een zwaar leven in de oorlog?
‘Ik was nog kind en het viel daarom wel mee. Ik leefde gewoon, net zoals jullie nu. Het moeilijkste was dat mijn vader tijdens de oorlog in Duitsland zat. Hij werkte als chauffeur in Berlijn en moest van alles rondbrengen, zoals meel naar de bakker. Hij woonde in de buurt van een kamp, maar was zelf geen gevangene. Hij was een dwangarbeider. Toen hij nog in Amsterdam woonde, had hij gestaakt. Daar waren de Duitsers achtergekomen. Hij kreeg een briefkaart toegestuurd waarop stond: ‘Omdat u goed werk in Duitsland geweigerd heeft, mag u in Nederland niet meer werken en krijgt u geen uitkering meer’. Toen had hij een probleem, want hij had negen kinderen waarvoor hij moest zorgen. Wat moest hij, onderduiken? Maar dan kreeg je geen eten, geld of bonnen. Dus toen heeft hij toch besloten om naar Duitsland te gaan, en heeft hij er verplicht gewerkt. Na de oorlog zag ik hem pas weer.’


Had u NSB’ers in de klas?

‘Bij ons in de buurt woonden twee NSB-gezinnen. En hun kinderen zaten bij mij in de klas. Mijn vrienden en ik waren niet zo aardig voor hen. Dan speelden we bijvoorbeeld vliegtuigje op het schoolplein, en renden we met onze armen gespreid en zo op elkaar schietend ‘gdeng-gdeng-gdeng’. Die NSB-kinderen waren de Duitse vliegtuigen en wij de Engelse, en dan konden ze wel flinke klappen krijgen. Of die keer dat Hitler jarig was en de NSB-kinderen in hun uniform naar school kwamen. Toen hebben wij hen op het schoolplein bekogeld met stenen en gemene liedjes gezongen. De broeders, dat waren de meesters op de katholieke school, sprongen er gauw tussen. Iedereen moest meteen de klas weer in en wij kregen op onze sodemieter. Achteraf gezien denk ik: dat was toch eigenlijk niet leuk van ons, die kinderen konden er natuurlijk ook weinig aan doen. Die moesten gewoon doen wat hun ouders zeiden.’

Kende u Joodse mensen?
‘In mijn buurt woonden niet veel Joden, het was een echte katholieke buurt. Maar op een zekere zondagmorgen, ik was toen negen jaar oud, liep ik op het Mercuriusplein. Op dat plein zat de ijswinkel van Tobias, een hele aardige man. Terwijl ik daar liep, kwam er een jongetje naar me toe dat me vroeg of ik een ijsje voor hem wilde kopen. ‘Kan je dat zelf niet dan?’, vroeg ik. ‘Nee, ik mag er niet in, kijk maar’, antwoordde hij, en hij wees naar de ster op zijn borst, waarop stond ‘Jood’. Bij alle winkels, in trams, op stations, eigenlijk op alle openbare plekken stonden bordjes met ‘Verboden voor Joden’. Joodse mensen konden alleen nog maar op aangewezen plekken aan spullen komen, maar dat was ook niet veel. Het jongetje gaf mij geld, wel een rijksdaalder, en een grote schaal waardoor ik voor zijn hele familie ijs kon kopen. Toen hup, met een noodgang naar zijn huis, via de Kometensingel naar de Nieuwe Maanstraat. Daar kreeg ik ook een ijsje. Ik vond dat wel leuk want ik had zelf ook niks. Ik heb nog een paar keer boodschappen voor dit gezin gedaan. Totdat ik op een dag op de Kometensingel liep, vlakbij hun huis, en zag dat er veel mensen buiten stonden. Plotseling kwam er een vrouw naar mij toe, die me bij mijn lurven pakte en zei: ‘Meekomen jij’. Ik wilde nog protesteren, maar nee, ik moest meekomen, en werd zo het huis ingetrokken. Daar legde ze uit dat ik niet meer naar het huis van het Joodse gezin kon omdat ze waren meegenomen, afgevoerd.’

Erfgoeddrager: Sam

In Amsterdam zag je geen enkele kat meer

Aan het begin van de oorlog was Gerrit Mijzen 15 jaar en werkte hij bij kantoorboekhandel De Gebroeders Winter aan de Looiersgracht. Om de arbeidsdienstplicht te ontlopen is hij naar zijn ome Jan in Vinkeveen gelopen om daar op het land te werken voor de Heidemaatschappij. Toen hij daar niet meer kon blijven is hij naar de Wieringermeerpolder gelopen en bij een boer gaan werken. Aan Sam, Rens en Charlie van basisschool Oscar Carré vertelt hij zijn verhaal.

Hoe kwam uw familie in de oorlog aan eten?
‘Uit Vinkeveen smokkelde ik aardappels en vlees naar mijn familie in Amsterdam. Dat deed ik lopend met een handkar die ik in de Atjehstraat had gehuurd. Bovenop het eten legde ik turf en rommel zodat ik niet gesnapt werd door de crisiscontrole-ambtenaren. De laatste keer dat ik uit Vinkeveen kwam, heb ik een dikke kat meegenomen die we hebben opgegeten. In Amsterdam zag je geen enkele kat meer. Daarna ben ik vanuit Wieringermeer, waar ik bij de boer werkte en goed te eten kreeg, met de handkar eten gaan smokkelen naar mijn familie in Amsterdam.’

Wat vond u een bijzondere gebeurtenis tijdens de oorlog?
‘Op een dag, toen ik vanuit Wieringermeer met de handkar eten naar Amsterdam smokkelde, werd ik in de omgeving van Purmerend aangehouden door een Duitser. Hij vroeg of ik honger had. Ik zei ja, ik heb altijd wel honger en had best wel trek van dat verre lopen. Van die Duitser kreeg ik een bonnetje en daar kon ik in Oosthuizen bij de bakker een Duits brood voor krijgen. Hij vroeg of ik nog geld had en dat had ik. En bij de bakker kocht ik een Duitse Küch. Toen ik terug kwam bij mijn karretje, wilde ik weer weggaan. Maar toen zei de Duister dat ik eerst het broodje helemaal moest opeten. Want hij zei dat hij wel eerder een broodje had weggeven en vervolgens stonden ze het te verkopen. Dat wilde hij niet, hij vond dat als ik honger had het best zelf kon opeten. Dat was echt een goede Duitser, die waren er ook.’

Hoe ging het aan het einde van de oorlog?
‘Toen heb ik van de hand in de tand geleefd, als een landloper, dan weer een dagje hier en dan weer een dagje daar. Ik liep in één dag van Amsterdam naar Hoorn op houten zooltjes met riempjes, want schoenen had je niet. Dat was 45 kilometer lopen. In Hoorn overnachtte ik in een kaaspakhuis en dan liep ik meestal richting Abbekerk, vanaf daar kon je ergens wat te eten krijgen. Op het laatst moest je lakens of zout meenemen om te ruilen, ander kreeg je niets. Tijdens de hongerwinter was het verschrikkelijk koud, 15/16 graden vorst. Ik heb toen een keer net voorbij Hoorn tijdens een sneeuwstorm met mijn blote voeten en karretje in de sneeuw vastgezeten. Het was vreselijk. Een boer heeft toen met zijn paard mijn karretje uit de sneeuw getrokken. Bij hem mocht ik, als ik werkte voor de kost, een paar dagen blijven. Toen ben ik weer richting Wieringermeer gelopen, dat was rond de Kerst. En als ik voorbij de huizen liep dan werd er op het raam getikt en werd ik uitgenodigd om te eten. Want van de gaarkeuken hadden ze extra eten gekregen voor voorbijgangers. Vanwege de kou liep er niemand op straat en zo ben ik Abbekerk door gelopen waar ik om de twee huizen te eten kreeg.Ondanks dat werd het aan het einde van de oorlog steeds beroerder.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892