Erfgoeddrager: Onne

‘Als het luchtalarm afging, moest je dekking zoeken’

‘Wat een aardige meneer was dat’, zeggen Onne, Timo en Shabaan van de Twiskeschool na afloop van het interview met Jan van der Linden. En het huis was ook heel netjes. Alleen, toen Jan van der Linden een beetje emotioneel werd tijdens het gesprek, wisten de kinderen even niet meer wat ze moesten doen… Mevrouw Van der Linden was een beetje stil tijdens het bezoek, maar bracht wel telkens lekkere Fristi, kaasblokjes en tomaatjes voor de kinderen. Het was een geslaagd interview.

Mocht je nog gewoon buiten spelen tijdens de oorlog?
‘Jawel hoor, dat was geen probleem. Tenzij er een luchtalarm was natuurlijk, want dat gebeurde ook regelmatig. Als het luchtalarm afging, moest je dekking zoeken want dan konden ze gaan schieten. Nou, bij de Fokkerfabriek aan de Papaverweg stond een hele batterij van afweergeschut. En als ze dan gingen schieten, gingen er allemaal granaten de lucht in en kwamen grote brokken ijzer naar beneden. Daar moest je niet onder staan natuurlijk, dus je moest zorgen dat je binnen was.’


Heeft u erge dingen meegemaakt tijdens de oorlog?

‘Mijn vader heeft twee keer een hongertocht gemaakt om op het platteland eten te halen. De tweede keer moet in het voorjaar zijn geweest en toen is ‘ie helemaal gefietst naar Anna Paulownapolder, bij de Wieringermeer in Noord-Holland. Op de terugweg is hij staande gehouden en moest hij wachten, samen met andere passanten. Even later kwam er een vrachtwagen aan met tien mannen erop, die van de vrachtwagen werden afgedonderd, op een rijtje werden gezet en allemaal werden doodgeschoten. Mijn vader moest dus daar naar kijken. Ik kan me nog steeds het moment van zijn thuiskomst herinneren… Toen hij terugkwam hoorde ik hem het hele verhaal aan mijn moeder vertellen en dat is altijd in mijn hoofd blijven zitten. Mijn moeder was in paniek omdat mijn vader zo bang was. Hij was helemaal de weg kwijt. Ik weet nog dat mijn moeder hem toen naar boven heeft gebracht. Pas veel later heb ik uitgezocht dat het een vergeldingsmaatregel is geweest bij de Zijpersluis voor een mislukte aanslag op een Duitse kolonne.’

Waren er ook familieleden in de oorlog gestorven?
‘Mijn oom is overleden. Hij zat samen met zijn broers in de illegale slachterij, het vlees brachten ze ook rond. Slachten als je geen slager was… dat mocht natuurlijk echt niet van de Duitsers. Mijn vader heeft er ook nog een blauwe maandag aan meegedaan, maar die is er gauw mee opgehouden. Hij vond het risico te groot. Maar mijn oom is er iets te lang mee doorgegaan en is verraden. Hij is in kamp Amersfoort terechtgekomen en later in Vught in de gevangenis, waar hij ziek werd en overleed. In onze familie is daar lange tijd niet over gepraat.’

Erfgoeddrager: Onne

‘In het Noordzeekanaal gingen we op zoek naar bamboestokken’

Jan Jansen komt uit een groot gezin, met elf kinderen. Aan Kylan, Onne en Jens van de Twiskeschool uit Noord vertelt meneer Jansen hoe hij op jonge leeftijd (hij werd geboren in 1940) de oorlog beleefde in de Noorder IJpolder, waar hij toen woonde. Hij beschrijft hoe ze als kinderen zelf speelgoed maakten en hoe spannend het einde van de oorlog voor hem was.

 

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik ben geboren in Amsterdam-Noord, in de Noorder IJpolder. Vlakbij ons huis stond een woning, De Domeinen, die in het bezit was van het leger. Er woonde een fortwachter die zorg droeg voor de kruithuizen op het legerterrein, waar het kruit werd bewaard. In de oorlog vorderden de Duitsers de woning. Ineens hadden we dus Duitse buren. Het waren leuke jongens die heel lief waren voor ons. Ik zat vaak even bij ze op schoot. In de oorlog was er natuurlijk weinig eten, maar de Duitsers hadden wel flink wat vlees. Mijn moeder braadde het vlees voor hen. Stiekem sneed ze er dan wat voor ons af. En als die Duitsers iets zeiden over de geslonken hoeveelheid vlees, antwoordde ze gewoon dat het door braden was gekrompen. Heel slim van haar! Mijn ouders vertelden me na de oorlog ook dat ze van de Duitsers hun radio moesten wegdoen. Mijn vader had zijn radio daarom stiekem verstopt, in een ketel tussen de poepluiers. Dat was wel spannend want dat moesten ze natuurlijk niet te weten komen.’


Wat voor spelletjes deed u allemaal in de oorlog?

‘We hadden niet zoveel speelgoed dus we moesten zelf wat bedenken om te doen. In het Noordzeekanaal gingen we op zoek naar bamboestokken die we vervolgens in stukken spleten. Bij een winkel in Tuindorp Oostzaan kochten we papier en zo maakten we een vlieger, met een grote slinger eraan. In de Noorder IJpolder was ruimte genoeg en er was altijd wind, dus vliegeren was leuk. We haalden ook wel de spaken uit een oud fietswiel, de band eraf en hup… dan hadden we een hoepel, vaak aan een stokkie, en dan hard rennen met die hoepel. Het waren echte straatspelletjes. In de buurt reden natuurlijk nog vrijwel geen auto’s, alleen jeeps van Duitsers die kruit kwamen halen op het terrein.’


Hoe was de bevrijding?

‘Ik weet nog dat die dag de lucht zwart zag van de vliegtuigen die overvlogen. Heel spannend vond ik dat. In de polder had ik natuurlijk vrij zicht. Die vliegtuigen kwamen voedsel brengen, grote blikken biscuits en cornedbeef uit Amerika. De pakketten vielen allemaal in het weiland. Je mocht ze niet zelf houden; alles wat je vond moest je inleveren zodat het kon worden verdeeld onder de mensen. Ik zoog in die tijd nog op mijn duim. Mijn oma vroeg me daarom altijd als ze op bezoek was: ‘Jantje, wat zit er toch in die duim van je?’ ‘Chocolade’, antwoordde ik dan. Geen idee hoe ik daarbij kwam, want ik had tijdens de oorlog nog nooit chocolade gegeten. Tot ik bij de bevrijding uit een van die pakketten chocolade kreeg…ik wist niet wat ik proefde, zo heerlijk vond ik het!’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892