Erfgoeddrager: Olivia

‘Mijn zwangere moeder kon met haar dikke buik ongezien die krantjes verspreiden’

De vader van Gerrit Sijpheer was hoofd van de Onderduikers Dienst en een belangrijk figuur in het verzet. Als elektriciteitsmeterstandopnemer en huurophaler kwam hij bij veel mensen over de vloer en had daardoor een groot netwerk. In de kelder van hun huis werd de verzetskrant ‘De Waarheid’ gestencild, die verspreid werd door de moeder van Gerrit. Aan Dieuwke, Olivia en Julia van de Bosschool vertelt Gerrit over zijn herinneringen uit die tijd.

Wat herinnert u zich van de oorlog en wat voor invloed heeft het op u gehad?
‘Ik ben geboren tijdens de oorlog en was dus nog heel klein. Ik werd opgevoed door mijn nichtje Hannie die bij ons onderdook. Mijn vader was hoofd van de O.D., de Onderduikers Dienst. Bij ons thuis waren acht mensen ondergedoken. Ik herinner me de spanning. Er werd ons verteld hoe we ons moesten gedragen en de achterdeur moest altijd op slot want er gebeurde van alles bij ons thuis waar de Duitsers geen weet van mochten krijgen. Met al die mensen wist mijn moeder toch van het weinige voedsel dat we hadden altijd iets te maken. Zij kon echt toveren in de keuken. Ook verspreidde zij ‘De Waarheid’, een verzetskrant die in onze kelder werd gestencild. Door haar vele zwangerschappen in die tijd kon ze met haar dikke buik ongezien die krantjes verspreiden.’

Heeft u nog spullen gevonden in de oorlog?
‘We hadden een spannende jongensclub en er was van alles te beleven voor ons. We vonden zelfs een geweer met munitie! Die verstopten we in ons hol. Mijn vriendje Theo Paping durfde het geweer af te schieten. Door de heftige terugslag raakte hij gewond; ik herinner me zijn bebloede gezicht. Ook herinner ik me dat ik door de grote jongens werd meegenomen naar de opslag van het legermateriaal op de Kerkedijk. We kropen in een grote legertruck en een van de jongens wist ‘m aan de praat te krijgen waardoor hij opeens ging rijden. We reden zo de sloot in!’

Wat is uw herinnering aan de bevrijding?
‘Dat was geweldig! De smaak van chocolade, de blijdschap… Op het weiland naast ons huis was het kampement van de Canadezen en die waren uitgelaten, zo blij. Ik herinner me dat ze met mijn babyzusje in de kinderwagen aan de haal gingen over het weiland. Mijn zusje werd gezien als nieuw leven en hoop. Mijn vader hield zich de laatste dagen verderop in een tuin schuil. De Duitsers trokken zich langzaam terug maar er was nog steeds gevaar. Op een dag stond een groepje soldaten op een dijkje vlakbij ons huis te schieten op de kraaien die op de telefoonkabels boven het weiland zaten. Mijn vader hoorde de schoten en vreesde dat zijn familie wat werd aangedaan, hij deed het in zijn broek… Gelukkig was er niks aan de hand.’

              

Erfgoeddrager: Olivia

‘Op het magazijn bij de HEMA lag van alles verstopt’

Met tram 13 reizen Olivia en Lena van de School of Understanding helemaal naar de eindhalte in Geuzenveld. Door de sneeuw lopen ze naar het huis van Tini. In de tas chocolaatjes en tompoezen, omdat Tini vroeger bij de HEMA werkte. Zij was 5 jaar toen ze van Nijmegen naar Amsterdam kwam. Zij ging toen de Van Spilbergenstraat wonen; in die tijd de rand van de stad. Later verhuisde het gezin naar de Gerard Callenburgstraat, waar ze de oorlog meemaakten.

Wat merkte u van de oorlog?
Op een avond kwam mijn moeder naar boven en zei: ‘Het is oorlog’. De volgende dag ging ik gewoon naar school. We moesten allemaal huilen, toen heeft de directeur ons in de gang het Wilhelmus laten zingen. Ik zat op de vakschool voor winkelpersoneel en daar waren ook veel Joodse meisjes. Soms was opeens de volgende ochtend een bank leeg. Die meisjes hebben we nooit meer terug gezien, dat was heel verdrietig. Later in de oorlog werkte ik in de HEMA in de Kalverstraat. Dan zei een van de Joodse meisjes: ‘Ik kom morgen niet meer, want ik moet mij melden’. Ook voor ons veranderde er veel. Zo moest je altijd je persoonsbewijs bij je hebben. Ik heb die van mij altijd bewaard. Een keer zag ik wat vallen uit een vliegtuig, dat bleek een bom te zijn. Het luchtalarm ging af en ik ben naar de schuilkelder gegaan. Mijn moeder zei: ‘Oh, daar zat je veilig’. Maar ik vond het toch wel eng. Mijn zus en ik zaten in een vriendengroep, maar op het laatst waren daar geen jongens meer bij. Die zaten allemaal in Duitsland of waren ondergedoken. Er zat een jongen bij ons ondergedoken, dat werd later de man van mijn zus. Mijn man, toen nog mijn vriendje, is ook ondergedoken, want anders moest hij werken in Duitsland. Mijn broer werkte in Duitsland, maar hij is op verlof niet meer teruggegaan en ook ondergedoken.’

Hoe was de Hongerwinter?
Alles was op de bon, ook bij HEMA. Ik moest als medewerker die bonnen opplakken. Ik heb er nooit stiekem eentje extra weggenomen, dat deed je gewoon niet. Het laatste jaar waren alle schappen in de winkel leeg, maar de HEMA had in het magazijn een muur waar spullen achter verstopt zaten. Het personeel mocht daar dan af en toe voor 10 gulden kopen. Met die spullen ging ik dan samen met mijn zus op de fiets naar Schagen om te ruilen bij de boeren. We hadden bijvoorbeeld een koffer vol zijden kousen, daar waren de boerenvrouwen gek op, die ruilden we voor aardappelen. Als we onderweg ergens wilden slapen, moesten we onze persoonsbewijzen inleveren bij de mensen die ons onderdak gaven en dan mochten we in de schuur of de gang de nacht doorbrengen. Op de terugweg gingen we met de pont. Daar stonden mannen van de Landwacht en die pakten het eten af. Ik ging dan achter iemand die heel veel spullen had lopen, dan kon ik ongezien met mijn eten de pont op.
Ook kregen we eten van de gaarkeuken, dat was zo vies. Gepofte tulpenbollen smaakten als kastanjes. Als ik in bed lag en nog honger had, dan drukte ik mijn vuist in mijn maag. Dan leek ie gevuld. Het was in die winter ook verschrikkelijk koud, er lagen dikke pakken sneeuw. Wij hadden altijd rokken aan, dus ik voel nog die kou. En die rokken werden steeds korter, omdat ik nog groeide.  Toen heeft mijn moeder een jas van gordijnen voor me gemaakt.’

En de bevrijding?
Wij zaten in de kamer en hoorden gejuich. Ik liep met mijn zus de straat op; bij het politiebureau aan de Admiraal de Ruyterweg zagen we de Nederlandse vlag hangen! Ik ben meteen naar mijn vriendje gelopen en toen konden we eindelijk weer lekker samen naar buiten. Een paar dagen gingen we feest vieren op de Dam, kijken naar de Canadese soldaten. Er kwam een hele stoet mensen aan. ‘Ga naar binnen, er wordt geschoten!’ riepen ze. We zijn meteen weggehold, tot aan de Marnixstraat. Het duurde nog wel even voordat alles weer normaal was na de oorlog.’

 

           

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892