Erfgoeddrager: Niels

‘We dachten dat het vuurwerk was, maar toen brak de hel los’

Zonlicht valt door de grote ramen binnen bij Peter Buddemeijer. Op tafel liggen boeken over Eindhoven in oorlogstijd, waarvan een door hem geschreven. De oud-schoolmeester vertelt, soms met een traan. Door een hersenbloeding stromen die snel, maar dat is niet erg. Tranen horen bij zijn verhaal. Brice, Lucas, Tobias en Niels van basisschool De Hasselbraam leren ervan; over de oorlog, maar ook over hoe je kwetsbaar en sterk tegelijk kunt zijn.

Wanneer zag u voor het eerst Duitse soldaten?
‘Op weg naar school. Ik liep altijd heel snel, omdat mijn moeder bang was dat het luchtalarm af zou gaan. Dat gebeurde wel eens onder schooltijd. Dan kropen we – met de meester, een frater – onder de banken. Soms moest ik er om lachen, maar vaker huilen. Ook hoorde ik kinderen om hun moeder roepen…
Ik was altijd bang Duitse soldaten tegen te komen, en dat gebeurde helaas vaak. Ze patrouilleerden op straat en hielden alles als een politie in de gaten. Ze hadden korte, zwarte laarzen, met een soort hoefijzer eronder. Het geluid daarvan op de keien vond ik heel angstig. Dan ging ik snel aan de overkant lopen; rook ik ook niet die stinkende uniformen. Op een dag kwamen ze met een vrachtwagen de straat in. Ze belden overal aan of stootten met de kolf van hun geweer de deur open. Ook bij ons stormden ze twee aan twee het huis binnen, vroegen niets, zeiden niets, keken rond of er koper in huis was, en dat namen ze mee. De koperen borden in onze gang rukten ze zo van de muur. In Duitsland werden daar kogels van gemaakt.’

Wat weet u nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Sinterklaas werd toen op 6 december gevierd. De tafel was mooi gedekt, er waren cadeautjes, eentje voor ons gezamenlijk; een toverlantaarn! Mijn broertje en ik brachten die dag met onze vader bloemen aan bomma, zijn moeder, die in de Hoogstraat woonde. Mijn moeder bleef met mijn babyzusje thuis. We moesten wachten bij de spoorwegovergang, het was heel druk, toen opeens de hel losbrak. Honderden vliegtuigen, allemaal Engelsen, vlogen over. Ze kwamen Philips bombarderen met fosforbommen. We schrokken enorm. Mijn vader liet zijn fiets vallen en wij de bloempotten. Het begon overal te branden. We zijn een dokterspraktijk vlakbij ingevlucht; mensen hadden de deur daar ingetrapt. Eenmaal binnen begon de voordeur te branden. Door een kapotgeslagen ruit zijn we de tuin ingegaan. Nog steeds was er overal vuur. Mijn vader heeft snel mijn broertje en mij over de schutting getild en zo laten vallen. Hij is er zelf overheen geklommen. Een tweede golf bommen kwam toen wij net weer buiten stonden.
Toen het voorbij was, zijn we naar huis gelopen. Onderweg zag ik verschrikkelijke dingen. Duitse soldaten die van de Philipstoren werden afgeblazen, dode mensen, overal brandweer en politie. In de Harmoniestraat stond geen huis meer overeind. Thuis waren alle ruiten kapot en de voordeur was door de luchtdruk van de bommen uit het slot geblazen. We konden mijn moeder en zusje niet vinden. Ik was heel bang. Gelukkig zaten ze bij de buren. Verder was het huis niet beschadigd en konden we er nog blijven wonen.  De toverlantaarn hebben we alleen niet meer kunnen vinden…’

Wat herinnert u zich nog van de Bevrijding?
‘19 September begon als de mooiste dag van mijn leven. Bij de hoek Boschdijk en Boonstraat kwamen allemaal militairen op tanks en andere voertuigen langs. Ik heb daar de hele dag gezeten. We bedelden met de paar woordjes Engels die we kenden: please, biscuits, chocolat en cigarettes for dad. Het paste niet meer in mijn zakken, dus stopte ik al het lekkers in mijn blouse. Als die vol was, rende ik naar huis, gooide alles op het aanrecht en rende weer terug. ’s Avonds zagen we allemaal lichtkogels boven de stad. We dachten dat het vuurwerk was, maar toen brak de hel los. Meer schrik heb ik nooit gehad in mijn leven. Bij ons in de straat stonden kleine tankauto’s met grote voorraden benzine voor de Engelsen. We waren heel erg bang dat er een bom op onze straat zou vallen, want dan zou de hele boel de lucht in gaan. Gelukkig is dat niet gebeurd. Omdat we bang waren voor een tweede bombardement van de Duitsers, zijn we de volgende dag gevlucht naar ‘Wolre’ (Waalre) op paard en wagen van de schillenboer uit de straat. Met zo’n twaalf mensen gingen we langs de boerderijen om te vragen of we in de veestal mochten slapen. Vee was er niet veel meer dus die mensen hadden vast wel een lege stal dachten we. En dat was ook zo. We kregen onderdak. Als kind vonden we dat heel interessant, het was een soort kamperen. Het tweede bombardement is er niet gekomen.
Na de oorlog hoorden we trouwens pas waarom de deur op zolder opeens op slot zat. Mijn ouders hadden ons wijs gemaakt dat daar zwarte pieten zaten; we geloofden toen nog in Sinterklaas. We hoorden ze ook echt stommelen. Later hoorden we dat het onderduikers waren. Ze hebben daar weken of maanden gezeten, terwijl mijn ouders voor hen zorgden. Op onderduikers verbergen stond de doodstraf. Het werd te eng voor mijn moeder en ze zijn toen door mijn vader op een nacht naar Duizel gebracht. Na de oorlog heb ik ze een keer ontmoet, de familie Godschalk, toen ze ons kwamen bedanken.’

              

Erfgoeddrager: Niels

‘We zaten spiernaakt op de grond terwijl de Duitsers ons uitlachten’

Ina Groenteman-Rosenthal (1936) ontvangt Niels, Souki en Max van de 3e Daltonschool in haar huis in Amstelveen. Tijdens de oorlog woonde ze vlakbij hun school. In 1943 werd ze met haar familie opgepakt en naar Westerbork, en later de vernietigingskampen, gebracht.

Moest u onderduiken tijdens de oorlog?
‘Heel veel mensen gingen onderduiken, zo ook mijn broertje en ik. Op een middag gingen we daar naartoe. We kwamen bij een man terecht, maar mijn broertje, toen drie jaar oud, wilde hem geen hand geven. Mijn vader reageerde daarop: “Als een kind geen hand wil geven, is deze man niet te vertrouwen.” Dit bleek achteraf ons geluk, want toen wij later in Westerbork waren, kwam daar een transport aan met allemaal kinderen die deze man zogenaamd had laten onderduiken. De kinderen werden doorgestuurd en zijn nooit teruggekomen. Wij kwamen daar terecht door een grote razzia op 21 juni 1943 in Amsterdam-Zuid. We sliepen er in houten barakken, dat zijn een soort schuren, in stapelbedden. Elke dinsdag vertrok er een trein naar de vernietigingskampen. Iedereen was dan ontzettend gespannen of ze werden opgenoemd om weg te gaan.’

Wat gebeurde er daarna?
‘We werden in februari 1944 in beestenwagens naar Bergen-Belsen gebracht. Hier waren ze minder vriendelijk dan in Westerbork. Iedereen sliep daar opgepropt op elkaar. Het eten was minimaal, koolraap en één centimeter brood per dag of soms zelfs per week. Iedere dag moesten we uren op appèl staan. Dat betekende dat je moest verzamelen en dat je dan doodstil moest blijven staan. De grote mensen hadden intussen begrepen dat mensen in andere kampen werden vergast. Op een dag moesten alle moeders en kinderen meekomen. We werden naar een badhuis gebracht en moesten ons uitkleden. We waren heel bang dat we vergast zouden worden. De hele dag zaten we spiernaakt op de grond terwijl de Duitsers langsliepen en ons uitlachten. In april 1945 moesten we een hele dag naar het station lopen. Mijn broertje was uitgeput, dus nam mijn vader hem op de arm. Dit mocht niet van de soldaten, iedereen moest zelf lopen. Een van hen wilde mijn broertje doodschieten. Gelukkig was er een andere soldaat die zei: “Laat dat kind toch leven.” We gingen met de trein op weg naar de gaskamers. Enkele vrouwen probeerden de Duitse soldaten te verleiden. Tegelijkertijd gooiden de mannen zoveel mogelijk kolen uit de trein; zonder kolen kon de trein niet verder rijden. De trein kwam hierdoor niet aan bij de gaskamers. En daardoor leef ik nu nog. We hebben een week lang stil gestaan. We hadden alleen water uit een sloot. Op vrijdag 13 april, die dag vergeet ik nooit, werden we bevrijd! Vrijdag de 13e is voor mij nooit een slechte dag geweest.’

Wat deed u na de bevrijding?

‘Na de bevrijding moesten we nog een tijd in Duitsland blijven. Mijn ouders, broertje en ik hebben met tyfus in het ziekenhuis gelegen, opgelopen door het drinken van slootwater. Mijn vader is van oorsprong Duits. Hij is in 1932 gevlucht. In 1938 werd in Nederland prinses Beatrix geboren. Haar moeder Juliana kreeg van de Duitse Opel fabrieken twee kinderwagens. Maar ze had natuurlijk genoeg aan een. De extra kinderwagen wilde ze schenken aan een gezin dat net zo was samengesteld als haar gezin: een Nederlandse vrouw, een Duitse man en een dochter geboren in Barendrecht. En dat waren wij. Ik heb in die kinderwagen gelegen. Dat nieuws kwam overal ter wereld in de krant te staan. De Duitsers hadden dit ook gezien en waren woedend. Dat Juliana hun geschenk aan een vuile rotjood had gegeven. Ons gezin werd daarom stateloos verklaard. We hadden geen nationaliteit meer. Toen we terugkwamen uit Bergen-Belsen mochten we bij Maastricht Nederland niet in. Ze hebben ons naar een kamp gestuurd, waar ook NSB’ers zaten. Uiteindelijk konden we terug naar Amsterdam. Dat was wel een heel bijzonder gevoel, om weer terug te zijn. We zijn nog tot 1954 stateloos geweest. Als ik met de klas naar het buitenland ging, moest ik een visum aanvragen.’

              

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892