Erfgoeddrager: Nele

‘Voorwaarts, voorwaarts, struikel niet, wankel niet’

Ellen Eliel-Wallach was 12 jaar toen de oorlog in Nederland begon.

Wanneer begon voor u de oorlog?
‘Voor mij begon de oorlog al veel eerder dan hier in Nederland. Ik ben geboren in Düsseldorf en ik was enig kind van hele lieve ouders. In 1936 waren er in Duitsland anti-Joodse maatregelen en mocht ik niet meer naar school omdat ik Joods was, ik werd buitengesloten. Mijn moeder wilde het land uit, maar mijn vader wilde niet omdat hij dan een tante moest achterlaten. In Keulen maakten we de Reichskristallnacht mee, dat gaf de doorslag om te vluchten. In december 1939 vertrokken we, de grenzen waren gesloten maar mensensmokkelaars namen ons mee. Ik herinner me dat ik achterop de fiets zat. Ik had pijn aan mijn voet dus ik kon niet lopen. Eén van die smokkelaars was een grote man, hij tilde me over het hek. Zo werd ik over de Nederlandse grens gedragen, op kerstavond.

We waren illegaal, we moesten ons verstoppen voor de Nederlandse politie. Die stuurde je terug naar Duitsland. Eind januari 1940 kwamen we in Haarlem, waar de vreemdelingenpolitie soepeler was en dat vergrootte onze kansen. We woonden heel eventjes op een zoldertje in de Holsteinstraat in Haarlem Noord, maar dat was vreselijk, er was niet eens een wc. Daarna woonden we op de Coornhertstraat. Overdag ging ik naar school bij de familie Pollatz aan Westerhoutpark 14. De familie Pollatz heeft tijdens de oorlog wel 40 Joodse kinderen onderdak gegeven. Niemand in de buurt wist wat zich op Westerhoutpark 14 afspeelde.

In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. Wij waren ineens niet meer illegaal. Dat is ook een gekke situatie. We moesten de kuststreek verlaten en na verschillende plaatsen woonden we in Arnhem. Al snel kregen we met anti-Joodse maatregelen te maken. In Arnhem werden we eind 1942 opgepakt.

Wat gebeurde er met u en uw familie?
‘In April 1943 kwamen we in kamp Westerbork. Mijn vader had in de Eerste Wereldoorlog gevochten en daarom kregen we een beetje bescherming. Ons transport werd uitgesteld. Ik werkte in het naaiatelier en moest sokken stoppen. In mei 1943 vlak voor mijn verjaardag, kwamen mijn grootouders in Westerbork aan, ze hadden zelfs een taart voor me meegenomen! Ik werd 15 jaar. Iedere dinsdag vertrokken de treinen.

We moesten op transport naar Bergen Belsen, het eerste transport met Nederlanders. We waren met 300 mensen. Ik was nog met mijn ouders. We kwamen in een barak vol schoenen. Pas jaren later heb ik me durven afvragen van wie die schoenen waren geweest. Mijn taak was aan tafel zitten en het leer lostornen, dat werd hergebruikt.

In januari 1944 kwamen we na twee dagen en twee nachten transport aan in Theresienstadt. We hoopten dat het er beter was. In Theresienstadt ben ik veel ziek geweest. Er is een Hebreeuws gezegde dat mijn motto werd en me op de been hield, ‘Voorwaarts, voorwaarts, struikel niet, wankel niet’.
Ik zorgde voor de baby’s terwijl de moeders aan het werk waren. Ik haalde emmers met warm water, om ze te wassen. Na zes weken vertrokken de moeders met de baby’s op transport.

De treinen vertrokken opnieuw. Ik zag mijn vader weggaan.
Ik moest ook op transport naar een ander kamp, mijn moeder wilde met me mee. Ik zei, ‘Niet doen! Blijf hier!’ Daarmee heb ik mijn moeders leven gered waarschijnlijk.
Ik kwam aan in Auschwitz-Birkenau. In de tijd dat ik in Auschwitz was, ben ik vijf keer gekeurd of ik geschikt was om te werken of dat ik geschikt was voor de gaskamers. Met mijn handen wreef ik hard over mijn wangen, zodat ik gezonde rode wangen had. Ik ben er doorheen gekomen.

Weer moest ik op transport naar Linz in Oostenrijk en moest werken in een celwolfabriek. We waren met 500 vrouwen en we hadden verschrikkelijke honger. We stonden onder leiding van een groep sadistische SS-vrouwen. Het was gruwelijk en afschuwelijk.’

Hoe bent u bevrijd?
Op een dag reed er een jeep met drie Amerikaanse soldaten. Ze deden het hek open, en zeiden: ’You are free’.
Een Rus en bracht een grote pan erwtensoep, die soep was het eerste eten, met een beetje gekookte rijst.’

Wanneer kwam u weer thuis?
‘Dat was een lange reis. De Amerikanen brachten ons naar een militair vliegveld. Samen met mijn vriendin Hella en nog een groep van 15 vrouwen vlogen naar Constanz aan de Bodensee. En daar werden we onderzocht op tuberculose en bespoten met ddt. Op de radio noemden ze de namen van de mensen uit Theresienstadt die nog in leven waren. Zo kwam ik te weten dat mijn moeder nog leefde.

We kwamen Reichenau terecht, daar bleven we twee weken in een hotel. De Fransen hadden alle Duitsers van het gebied gestuurd. Ze zeiden, ‘Jullie mogen alle huizen binnengaan en neem maar wat je nodig hebt.’ In een huis vond ik een boek van Thomas Mann, ‘de Buddenbrooks.’ Voor het eerst kon ik weer een boek lezen. We ontmoetten mr. Vrolijk, hij was gijzelaar geweest, voor de oorlog werkte hij bij de rechtbank van Den Haag. Hij heeft ons tijdens de reis een beetje beschermd. Met de trein gingen we via Lyon naar Brussel. Daar trakteerde mr. Vrolijk ons op de kermis, we zaten in de botsautootjes en aten we een ijsje. Toen voelde ik me echt bevrijd.
Een vrachtwagen bracht ons naar de Nederlandse grens bij Roosendaal. De vreemdelingenpolitie vroeg naar mijn nationaliteit. Het leek me zo heerlijk om te zeggen dat ik Nederlander was, maar ik was een vluchteling. Ik had dus gelogen en ik moest in de hoek gaan staan. Daarna werd ik in een hok gezet met NSB’ers. Dat was verschrikkelijk. Mr. Vrolijk heeft mij eruit gekregen. Ik kon het adres in Arnhem noemen waar we woonden toen we werden opgepakt. Het klopte en toen mocht ik blijven. Hella kwam uit Koningsbergen, in Oost Pruisen en dat was inmiddels Russisch geworden. Zij had helemaal geen familie meer. Hella hebben ze de volgende dag al over de grens van Duitsland gezet. Omdat ze nooit in Nederland had gewoond. Het beleid was heel hard toen, heel streng.

Op 26 juni 1945 kwam ik aan in Amsterdam. Ik ging naar mijn oom op de Tweede Jan van der Heijdenstraat in Amsterdam. Oom Erwin was jarig en daar stond ik. De hele straat liep uit, er was iemand teruggekomen uit de kampen!
Mijn moeder en ik besloten in Amsterdam te blijven wonen. Bij navraag bleek dat er twee kisten van onze spullen uit Duitsland nog opgeslagen waren. Die waren ongeschonden de oorlog doorgekomen! Mijn moeder verkocht het zilver daar konden we even van leven. Van het servies heb ik de taartschoteltjes nog. Mooi wit met een gouden randje.

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892