Erfgoeddrager: Luke

‘Op de plek waar mijn hoofd zojuist was, vloog de kogel in de muur’

Luke, Tristan en Vos van de 3e Daltonschool ontmoeten Carel Wiemers in Buurtcentrum Puur Zuid. In deze buurt liggen veel van zijn jeugdherinneringen. Carel Wiemers was vijf jaar toen de oorlog begon en is een paar keer aan de dood ontsnapt.

Hoe wist u dat de oorlog begonnen was?
‘Ik hoorde het lawaai van vliegtuigpropellers en vroeg mijn moeder: “Mama, wat is dat?” Zij zei dat het vliegtuigen waren en dat er oorlog was. Ik had toen nog niet goed door wat er aan de hand was; een maand later wel. Mijn vader kwam opeens niet meer thuis en we wisten niet waar hij bleef. Mijn moeder werd steeds zenuwachtiger. Na de vierde dag was hij er opeens weer. Hij was opgepakt door de Duitsers en moest voor hen werken. Dat wilde hij niet, maar ze hadden gezegd dat ie ons anders nooit meer zou zien. Hij ging toen maar werken in Zeeburg, in een magazijn van een kazerne.

Wist u wat er met de Joden gebeurde?
‘Ja, er woonden in de Rivierenbuurt veel Joodse mensen. Mijn vriendje Hansje aan de Hunzestraat was Joods. We waren op dezelfde dag geboren en speelden veel met elkaar. Op 20 juni 1943 was er een grote razzia in de buurt. Alle straten werden plotseling hermetisch afgesloten. Ik was bij Hans thuis. Opeens werd er ruw op de deuren gebonkt en aangebeld. Wij moesten stil tegen de muur staan, terwijl ze hun pistolen op ons richtten. Hans’ moeder zei nog dat ik niet bij hen hoorde, ze liet zelfs haar trouwboekje als bewijs zien, maar toch moest ik mee naar buiten. Hansje hield me stevig vast en riep: “Ik ga met jou mee, ik wil niet mee met die Duitsers!” De soldaten haalden ons heel ruw uit elkaar. Hansje huilde hard, ik kreeg een schop onder m’n kont en een geweer op mij gericht en moest toen weg. Ik mocht niet omkijken. Toch keek ik. Mijn vriendje zat huilend bij zijn moeder op schoot. Ze zijn naar Sobibor gebracht met de trein en na aankomst meteen vergast. Ik heb het aan zijn moeder te danken dat ik niet ook naar de gaskamers ben gebracht.
Na de oorlog zocht ik een foto van Hansje. In een tentoonstelling in het Stadsarchief, over Joodse kinderen in de oorlog, ging ik weer op zoek. Ik was bijna aan het eind toen ik opeens Hans, zijn vader en broer op een foto herkende. Mijn kleinkinderen wilden graag dat ik deze en andere oorlogsherinneringen opschreef. Daarom heb ik ‘Met de dood op de hielen’ geschreven.’

Is dit het heftigste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Er was nog iets ergs. Op weg naar naar school in de IJsselstraat kwam ik langs het Victorieplein, dat toen het Daniël Willinkplein heette en waar een commandocentrum van de nazi’s was gemaakt. De Duiters hadden er een primitieve bunker gebouwd, bestaande uit palen en plaggen met een paar gangen er in. We liepen daar vaak doorheen, want de bunker was leeg als er geen gevaar was. Wij wilden als jongetjes de Duitsers pesten, omdat we een hekel aan ze hadden. Ze pikten immers alles van ons in. Op een dag hebben we voor de school begon de palen omver geduwd. Een soldaat met pistool rende naar ons toe. De grote jongens waren snel weg, maar ik kon ze niet bijhouden. ‘Halt!’ hoorde ik roepen. De soldaat wilde de trekker overhalen en ik dacht: ik ben pas zeven, ik wil niet dood. Ik zag een uitweg, wilde rennen en struikelde. De Duitser vuurde op dat moment af en op de plek waar mijn hoofd zojuist nog was, vloog de kogel in de muur. Ik lag plat op de grond en de Duitser dacht dat hij mij had doodgeschoten en stopte zijn pistool in zijn riem. Dit was mijn kans, dus ik rende de lange gang in. De Duitser pakte de korte gang. Ik kwam aan het einde van de lange gang uit bij een winkelgalerij. Ik ging tussen moeders en kinderen voorin de slagerij bij de toonbank staan en zo kon ik ontkomen.’

             

Erfgoeddrager: Luke

‘Oudere overburen werden ruw de vrachtwagens ingeduwd’

Toos Schut-Demoitie (1935) vertelt aan Luke, Anne en Imane van de 3e Daltonschool over haar gedwongen verhuizing naar Amsterdam-Zuid, over het luchtalarm, de stinkende schuilkelders en hoe ze zag dat haar Joodse buren werden weggehaald.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘We woonden in Castricum, bij de duinen. Alle huizen aan de duinkant moesten worden afgebroken, omdat de Duitsers vanaf daar Engelsen wilden kunnen beschieten. Wij moesten weg – dat vond ik heel erg –  en kwamen in de Swammerdamstraat terecht. Ik was toen zeven en kwam op de tweede etage met vijf broertjes en zusjes in een kleine woning. Het was tijdelijk; mijn ouders dachten dat de oorlog niet zo lang zou duren, maar we hebben daar dus toch vier jaar gewoond. Voor ons woonde er een Joods stel dat zelfmoord heeft gepleegd. Mijn vader heeft ons dat pas later verteld.
Om ons heen werden Joodse mensen weggehaald, ook mijn vriendinnetje. Ik hoor nog het gestamp van die zware laarzen en het bonzen op de deur. Je moest dan je identiteitsbewijs laten zien. De Joden werden met vrachtwagens afgevoerd. Dat heeft op mij als kind veel indruk gemaakt. Oudere overburen, die niet zo goed zelf in de vrachtauto konden komen, werden er ruw ingeduwd. En je ziet je vader en moeder voor het raam staan huilen. Mijn vader zei: “Ik ben bang dat ze niet meer terugkomen”.’

Wat vond u het engste moment in de oorlog?
‘Als het alarm afging. Dan moest je naar de schuilkelders, of naar de benedenwoningen. In de schuilkelder zat je met veel mensen op elkaar gepropt, en het stonk er. Als er geen alarm was, waren er misschien ook wel kinderen aan het spelen, die daar ook wel eens geplast hadden. Bij ons in de buurt viel het mee, de bombardementen waren meer bij de fabrieken aan het IJ.
Mijn ouders hadden het wel eens over die vuile NSB’ers. Ik heb dat toen een keer tegen een meisje waar ik ruzie mee had gezegd. “Jouw vader, die vuile NSB’er”. Toen heeft haar moeder mijn moeder gewaarschuwd en gezegd dat haar man niet zo’n slechte NSB’er was. Ik moest dus leren dat ik dat niet zomaar kon zeggen, maar als kind kon ik dat moeilijk doorzien. Sommige NSB’ers hadden een band om, die werden door de Duitsers ingezet om hen te helpen. Maar aan velen kon je het niet zien. Je voelde je niet veilig. Wie kon je vertrouwen?
Veel dingen gingen ook gewoon door in de oorlog, zoals school, maar ook hele leuke. Zo was ik bruidsmeisje op het huwelijk van de benedenbuurvrouw. Ook kon je buiten spelen – we deden busjetik, een soort verstoppertje – en zwemmen in de Amstel. Dat mocht eigenlijk niet van mijn moeder; die was als de dood voor waterratten.’

Hebben jullie honger gehad?
‘Mijn ouders hadden een vooruitziende blik. Toen het nog kon heeft mijn vader heel veel rijst ingekocht. Dat hebben we op allerlei manieren bereid gegeten. Ook haalden mijn ouders eten bij familie in Castricum, al werd dat soms op de terugweg afgepakt. Mijn moeder verborg het eten in haar schort, en daarover had ze een wijde jas aan. Dan deed ze alsof ze in verwachting was. Later vertelde ze me dat ze zich schaamde, dat ze misbruik maakte van iets dat niet waar was. Mijn moeder het zwaar heeft gehad in de oorlog. Er waren bijvoorbeeld ook geen medicijnen. Mijn broertje had difterie en vaak zat ze bij zijn bedje te huilen. Hij heeft het gelukkig overleefd, maar we hebben weken gedacht dat hij dood zou gaan.
Toen de eerste geallieerden aan land kwamen, dacht iedereen dat het snel voorbij zou zijn, maar het heeft toen nog een jaar geduurd. We bleven in het kleine huis, omdat er bijna geen kolen meer waren om je huis mee te verwarmen. Een groter huis was kouder geweest.
Gelukkig kwam in mei 1945 de bevrijding. Ineens zag je mensen dansen en feestvieren; ze waren uitzinnig blij. Maar ik heb ook gezien dat meisjes die verliefd waren geworden op een Duitser – moffenmeiden –  werden kaalgeschoren, op een wagen gezet, en ingesmeerd met rode menie. Dat vond ik heel erg en dat vind ik nog steeds.’

Hoe voelt u zich bij het denken aan de oorlog?
‘Ik heb wel eens gelezen over hoe het voor de Duitsers in de oorlog was. Velen van hen hadden geen keus, zij werden gedwongen om te gaan werken. Hun vrouwen hebben het heel slecht gehad in de oorlog en veel mannen zijn nooit teruggekomen. In de oorlog haatte ik de Duitsers toen ik hoorde dat mijn vriendinnetje niet in het Sarphatipark mocht komen, alleen omdat ze Joods was. Nu komt er meer begrip voor de kant van Duitsers die ook maar werden gedwongen.’

              

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892