Erfgoeddrager: Lucy

‘Een mens heeft een instinct, je wil altijd blijven leven’

‘Je mag jij zeggen, je mag oma zeggen, je mag tante zeggen en ik heet Bep, dus zeg maar Bep, dat is makkelijk.’ Bep  Zijlstra nam Nikolas, Bodhi Jay, Fabio en Lucy van de Rosa Boekdrukkerschool mee langs haar oude huis. Daar aangekomen belde Bep aan en zo stonden ze opeens met z’n allen in het huis waar ze tijdens de oorlog woonde. Hier vertelde zij een spannend verhaal over het kolenhok.

Wat is het verhaal van het kolenhok?
Ons kolenhok grensde aan een slagerij. De slager had aan zijn kant een deurtje gemaakt. Soms kregen de Duitsers een tip van iemand dat de slager vlees in de winkel had en dan kwamen ze controleren. Als de slager dan een seintje kreeg dat de Duitsers er aan kwamen, deed hij heel gauw het vlees in een koffer. Die gooide hij door dat deurtje naar ons huis. Mijn moeder hoorde die koffer neerploffen in ons kolenhok en haalde de koffer snel in huis. We gooiden er een kleedje over en zetten er een poppenservies op en dan gingen mijn zusje en ik daar zitten spelen. Die Duitsers controleerden de slagerij maar konden niks vinden. Daarna kwamen ze ook bij ons zoeken, want wij woonden er naast. Het enige dat ze zagen, waren 2 kindjes die met een poppenserviesje speelden. Naast dat poppenservies hadden we totaal geen speelgoed. Toen bracht mijn vader op een dag, in ’43 of ’44, een hele ouderwetse, houten poppenwagen mee. Nou, dat was nog mooier dan het allerduurste computerspelletje. Wat waren wij er blij mee.’

Als u terug denkt aan de oorlog, waar denkt u dan aan?
‘Toen de oorlog begon was ik 4 jaar en bij de bevrijding was ik 9. Als kind beleef je situaties, die heel gruwelijk zijn, heel anders dan volwassenen. In die tijd werden er veel cowboy films getoond, waarbij die cowboys vaak werden doodgeschoten. Als je iets bij de Duitsers deed wat niet mocht, werden er soms zomaar mensen van huis gehaald, in een rij tegen een muur gezet en doodgeschoten. Ik heb dit ook een keer gezien, op de Witte de Withstraat. Ik was met één van mijn broers en één van mijn zussen daar gewoon op straat aan het spelen. Wij stonden er op een paar meter afstand naar te kijken. We werden meteen naar binnen gehaald door mensen die daar woonden. We mochten absoluut niet naar buiten kijken maar ik deed dat alsnog natuurlijk. Wij waren jonge kinderen dus wij waren hartstikke nieuwsgierig. Als kind zie je dat gebeuren, maar ik dacht dat het net zoiets was als in de cowboyfilms. Later weet je pas echt wat het betekent. Dat al die vaders van kinderen en zonen van moeders doodgeschoten werden. Ik ging bij wijze van spreken gewoon weer rustig verder met spelen.’

Heeft iemand van uw familie in een kamp gezeten?
‘Een oom van mij was opgeroepen om te moeten werken in Duitsland, zoals veel mannen. Hij wilde niet naar Duitsland dus hij is gaan onderduiken. Helaas is hij door iemand verraden en moest hij voor straf naar een kamp in Duitsland. Die kampbewaarders daar waren hele gemene mensen, sadisten noem je dat. De gevangenen moesten op een binnenplaats in de rondte lopen. Die Duitsers hadden 3 witte stippen gemaakt in dat rondje. Als zo’n soldaat op een fluitje blies, moest degene die het dichtst bij een witte stip stond naar de middenstip komen. Daar had één van die Duitse soldaten gepoept. De gevangene moest dat opeten en doen alsof het een taartje was. Je gezicht mocht niet vertrekken, anders werd je doodgeschoten. Ook als je weigerde, werd je doodgeschoten. Wij dachten dat mijn oom het nooit zou hebben opgegeten als hij toevallig bij de stip stond. Maar hij zei tegen ons dat als hij de klos was geweest, hij het ook had opgegeten. Een mens heeft een instinct, je wil altijd blijven leven, wat je er ook voor moet doen. Je hebt een vrouw en kinderen thuis zitten en je wil terug naar je gezin.’

Hoe was de hongerwinter?
‘We waren thuis met 6 kinderen en die moesten wel eten. Zelf heeft mijn moeder haast niks kunnen eten, want alles wat ze had, gaf ze aan de kinderen. Dat zullen jullie later ook merken. Voor je kind heb je alles over. Mijn vader probeerde overal eten vandaan te halen. Hij heeft een keer ergens bij een boer een half varken vandaan gehaald. Dat had hij zo over het stuur van zijn fiets gehangen met een zak er over. Hij fietste daarmee naar de slager bij ons om de hoek. Onderweg werd hij betrapt door een politieagent, die samenwerkte met de Duitsers. Mijn vader heeft die agent toen een stuk van dat varkensvlees beloofd. De agent had ook niks te eten, dus hij heeft mijn vader toestemming gegeven om door te rijden. Later tijdens de hongerwinter zijn wij naar Friesland gestuurd. Ik heb daar een feest beleefd. Ik kreeg ’s middags gebakken aardappelen met lekker vlees en groenten en ’s avonds weer warm eten. ’s Morgens kreeg ik pap, yoghurt, brood of wat je maar wilde. Ik wist niet wat me overkwam. Toen ik terug kwam, was ik echt een beetje dik geworden.’

 

              

Erfgoeddrager: Lucy

Tot vanavond en lief zijn hoor!

In een stijlvol ingericht appartement luisteren Themi, David, Karma en Lucy van basisschool De Nautilus met een en al oor naar het bijzondere, maar vooral dramatische oorlogsverhaal van de Joodse Salo Muller. Hij was pas vier jaar toen de oorlog begon, maar kan zich deze verschrikkelijke tijd nog goed herinneren. Zijn ouders zijn allebei in Auschwitz omgekomen; Salo Muller zat op acht verschillende adressen ondergedoken. Over zijn belevenissen in de oorlogsjaren schreef hij Tot vanavond en lief zijn hoor!, een boek dat de kinderen na afloop van het interview mee naar huis kregen.

Wanneer werden uw ouders opgepakt door de Duitsers?
‘Mijn moeder bracht mij op een dag in 1942 naar school, ik was toen zes jaar. ‘Tot vanavond en lief zijn hoor!’ is het laatste wat ze tegen mij zei. Ze werd op haar werk door de Duisters opgepakt en naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Aan de andere kant van de Schouwburg had je de kindercrèche, waar alle joodse kinderen ‘bewaard’ werden. De buurman van mijn ouders kreeg een telefoontje van de Duitsers dat ik naar de crèche gebracht moest worden, maar dat vond hij te gevaarlijk. Ik werd naar mijn oom en tante gebracht. Op een dag moest ik van mijn tante achter de deur gaan staan en ik mocht pas naar boven komen als zij het zei. Er was een razzia en twee Duitse soldaten stormden binnen met een geweer. Mijn tante was slim en zei tegen de Duitsers: “We kunnen niet mee, want mijn dochter heeft roodvonk.” Als de Duisters ergens bang voor waren, was het wel voor besmettelijke ziektes. Dus wat deden ze? Ze plakten een briefje op de deur met ‘besmettelijke ziekte’. Over drie weken zouden ze terugkomen. Precies op dat moment kwam ik, eigenwijs jongetje dat ik was, achter de deur vandaan. Ik werd in de overvalwagen gegooid en naar de Schouwburg gebracht. Daar zag ik mijn vader en moeder op het toneel staan. Het zou de laatste keer zijn dat ik zag.’

Wat is er daarna met u gebeurd?
Ik ben uiteindelijk uit de kindercrèche gesmokkeld en heb daarna op acht onderduikadressen gewoond. Wat je dan het meest mist? Je vader en moeder! Je komt steeds bij vreemde mensen terecht, waar je niks mag en kan doen. Ik mocht niet op straat gezien worden en ik mocht ook niet naar school. Ik zat de hele dag een beetje in de woonkamer. Op een gegeven moment woonde ik bij een gezin, waarvan de zoon een gitaar had. Ik mocht absoluut niet aan zijn gitaar zitten, maar die gitaar had een magische aantrekkingskracht. Als de jongen weg was, pakte ik stiekem zijn gitaar om er op te tokkelen. Sukkel die ik was, legde ik de gitaar dan net verkeerd terug, waardoor hij er altijd achter kwam. Hij sloeg me dan zo verschrikkelijk hard, dat de dokter moest komen en ik uiteindelijk uit huis gehaald ben. Bij zeven onderduikgezinnen heb ik het heel slecht gehad, maar bij het achtste had ik het goed! Het oude echtpaar ‘Beppe en Omke’ was lief voor mij en het voelde bijna alsof het mijn eigen opa en oma waren.’

Hoe vindt u het om over de oorlog te praten?
Ik had in het begin heel veel moeite met het vertellen van het verhaal, maar nu ik het zo vaak verteld heb gaat het beter. Ik vind het erg belangrijk om mijn verhaal door te vertellen. Auschwitz heb ik nog niet kunnen bezoeken, maar ik ben van plan dat in de toekomst wel te doen. Mijn vrouw en ik hebben voor mijn vader een moeder struikelsteentjes laten leggen voor het laatste adres waar ze gewoond hebben, in de Molenbeekstraat 34. Af en toe gaan we daar heen om aan ze te denken en stil te staan bij wat er allemaal is gebeurd.’

        

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892