Erfgoeddrager: Laura

‘Na toestemming van de burgemeester konden we eindelijk naar huis’

Met de rollator erbij als stoel voor een van de interviewers, vertelt Anton Overpelt met duidelijk veel plezier en een goed geheugen over de periode 1940-1945. ‘Ik had het goed, kwam niks tekort’, zegt hij tegen Laura, Teun, Jeamin, Makar van basisschool Et Bruut in Zaandam. Wat de boventoon voert in zijn verhalen is zijn acceptatie van hoe de dingen gaan in het leven en een optimistische, bijna dankbare kijk daarop. Dat zal hem hebben geholpen om die zware jaren, als tiener te werk gesteld in het buitenland, toch redelijk goed door te komen.


Hoe zag uw leven eruit toen de oorlog begon?

‘Ik was sinds mijn 14e al aan het werk. Bij kruidenier Simon de Wit op de Westzijde in Zaandam pakte ik levensmiddelen in, brandde koffie en mengde thee. Op een dag kwam er per post een oproep van het Arbeidsbureau dat ik me moest melden voor de ‘Arbeitseinsatz’ in Duitsland. Net als van veel andere jonge Nederlandse mannen werd er van me geeist dat ik voor de Nazi-Duitsers ging werken. Mijn vader bracht me naar het treinstation waar het afscheid van hem heel verdrietig en zwaar was. Gelukkig was ik met mijn vier goede vrienden; Jan, Cor, Gerard en Ben. De treinen waren er slecht aan toe, heel oncomfortabel. We reisden ermee naar Straatsburg, een Franse, door de Nazi-Duitsers bezette stad. Daar kregen we houten barakken als huis aangewezen.’


Hoe was uw dagelijks leven in Straatsburg en later Freiburg?

‘Het was eigenlijk best prima. We hadden nauwelijks met de Duitse bezetter te maken. De metaalfabriek waar ik te werk was gesteld, werd nog gewoon draaiende gehouden door de Fransen. We werden betaald in geld, kregen goed te eten (onder andere bij een Nederlandse hotelbaas), gingen naar de film en konden brieven schrijven met de familie in Nederland. Op die brieven werd wel censuur toegepast, dan liep er een grote blauwe inktstreep door de tekst. Zo ook in de brieven naar en van Truus. Zij werd in de oorlog mijn vriendinnetje. Voordat ik naar Duitsland vertrok, hadden we elkaar twee keer ontmoet. Eenmaal in Straatsburg, besloot ons vriendengroepje dat we de meisjes die we thuis kenden en van wie het adres wisten, gingen schrijven. En van Truus dacht ik het adres nog te weten, maar de brief kwam terecht bij de groenteboer met dezelfe achternaam als Truus. De groenteboer heeft toen uitgezocht om welk meisje het ging en hem alsnog bij haar bezorgd. Twee jaar lang elke maand een brief…De liefde groeide.’


Hoe was het werk?

‘In de fabriek werd metaal bewerkt. Een Franse baas in de fabriek zag dat ik brildragend was en vond dat gevaarlijk bij de ovens. Ik werd op de locomotief, buiten op het fabrieksterrein, aan het werk gezet. Dat was een prima baan. In de barak waar we woonden, hadden we een landkaart hangen waarop we aangaven waar de geallieerden waren, hoe ver ze al waren opgerukt. De Nazi-Duitsers hebben die landkaart verwijderd. Toen we ons aanmeldden bij de lokale voetbalclub, werd ons lidmaatschap geweigerd omdat we de Hitlergroet niet wilden brengen.’

Hoe eindigde de periode in Duitsland?
‘De laatste 1,5 jaar werkte ik in Freiburg, in een spinnerij waar stof werd gemaakt voor kleding. Freiburg werd bevrijd door de Frans-Marokkanen. We waren er heel blij mee. Na toestemming van de burgemeester van Freiburg konden we eindelijk naar huis.’

 

 

Erfgoeddrager: Laura

Snel ben ik tegen een huis aan gaan liggen om me te beschermen’

Laura, Namdi en Angela zijn een beetje zenuwachtig voor het interview met meneer de Vries. Ze vinden het spannend dat hij helemaal naar hun school, de Morgenster in Zuidoost, komt. De zenuwen blijken niet nodig, want meneer de Vries is ontzettend aardig en stelt hen meteen gerust. Ze mogen alles vragen! Hij heeft mooie, bijzondere en ook heftige verhalen over de oorlogsjaren in Driemond.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Die begon voor onze gemeenschap eigenlijk al een half jaar voor de oorlog uitbrak. In een fabriek waar vogeltjesvoer werd gemaakt werden Nederlandse soldaten gestationeerd, voor het geval de oorlog zou uitbreken. De soldaten moesten van tijd tot tijd marcheren. Een trommelaar en een trompettist liepen voorop. Dat vonden wij prachtig en dan liepen we altijd mee. De soldaten zingen altijd als ze marcheren. Ze kwamen vaak ‘s avonds bij mijn ouders koffie drinken, want er was verder weinig te doen in het dorp. Toen de oorlog begon, op 10 mei 1940, werd ik wakker van vliegtuiggeluiden. De vliegtuigen gingen Rotterdam bombarderen. Dat was een erg angstig moment. Op de radio hoorden we dat de oorlog was begonnen en Nederland zich zou verzetten. Onze soldaten waren alleen helemaal niet goed voorbereid. Ze zaten op een fietsje in plaats van in een tank.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Wij hadden het best goed. Mijn vader had een groot stuk land van 1100 m2. Daar verbouwden we zelf groente en aardappelen op. In de winkels was niks meer te krijgen aan het einde van de oorlog. We kregen op een zeker moment bonnen waar je eten mee kon halen. Dan ging je met je pannetje naar een gaarkeuken en dan werden er een paar scheppen eten in gedaan. Mijn moeder en zus zijn verschillende keren naar Overijssel gereden om groente en aardappelen te halen. Ze gingen daar op de fiets naartoe. Moet je nagaan, dat is zo’n honderdvijftig kilometer! De banden waren van autobanden gemaakt, die gingen om het wiel heen met een nietje. Soms werd het eten bij de brug bij de IJssel ook nog eens afgenomen door de Duitsers. Gelukkig is dat bij hun nooit gebeurd. Er waren op een gegeven moment ook geen kolen meer, dus moesten we hout stoken. Daarvoor zaagden we bomen om, wat natuurlijk niet mocht. We werden een keer aangehouden door de politie en toen moesten we onze bomen laten liggen. De zaag stak de politieagent zelf in zijn zak. Later, toen de oorlog was afgelopen, kwam hij de zaag terugbrengen.’

Heeft u bombardementen meegemaakt?
‘Op een zeker moment, later in de oorlog, moest Amsterdam beschermd worden. De Duitsers lieten de polders in Zuidoost onderlopen, zodat de geallieerden niet over het land Amsterdam in konden komen. De wegen die naar Amsterdam liepen, konden de Duitsers dan beter bewaken. Op een gegeven moment waren we op straat aan het hockeyen. En wat gebeurde er toen? Er kwamen tien Engelse vliegtuigen over en die gooiden bommen naar beneden. Ze probeerden de brug te bombarderen, maar dat is niet gelukt. Ze hebben in totaal twintig bommen naar beneden gegooid, maar de brug werd niet geraakt. Wel vielen er twee doden. Een jongen van een jaar of twintig liep daar in de buurt en werd geraakt door een granaatscherf. De ander was een dokter uit Weesp. Ik weet nog dat ik snel tegen een huis aan ben gaan liggen om me te beschermen. Gelukkig is het met ons toen goed afgelopen. In Weesp werd de brug ook een paar keer gebombardeerd om de spoorweg te vernietigen. Ook dat is niet gelukt.

Ergens was het ook wel weer mooi dat onze polder werd ondergelopen. Het waren strenge winters en op den duur konden we honderden meters schaatsen op een hele grote plas.’

   

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892