Erfgoeddrager: Kayleigh

‘Ik werd als driejarig meisje in mijn eentje in de gevangenis gezet’

Lous Steenhuis-Hoepelman (1941) begint haar verhaal met een sprookje. Het is geen vrolijk sprookje zoals gewoonlijk, maar een sprookje over een onschuldig, joods meisje van drie jaar dat van haar ouders wordt gescheiden, onderduikt, verraden wordt en uiteindelijk op transport wordt gezet naar verschillende concentratiekampen. Kayleigh, Lina, Omar en Saúl van de Rosa Boekdrukkerschool luisteren aandachtig naar het oorlogsverhaal van Lous. Ook heeft Lous allemaal spulletjes mee uit de oorlog, zoals haar popje Mies.

Wat voor spulletjes heeft u allemaal mee?
‘Mijn oma was naaister en die heeft dit jurkje voor mij gemaakt. Het was mijn eerste jurkje. Het is mij heel dierbaar. Toen het bij ons oorlog was, gingen mijn ouders meteen onderduiken. Zij wisten heel goed wat voor kwade man Hitler was en hoe groot het gevaar voor ons was. Mijn oma wilde niet onderduiken. Zij dacht dat het wel mee zou vallen. Ze dacht dat ze als naaister kleren kon naaien in Auschwitz. Ze heeft zich zo met de trein laten wegvoeren. Ze is meteen vermoord in het kamp. Ik heb mijn oma niet meer gekend, maar dat ik dat jurkje heb, vind ik nog heel bijzonder. Ook heb ik mijn popje Mies mee. Die heb ik gekregen in Westerbork.’

Hoe bent u in Westerbork terecht gekomen?
‘We zijn eerst met zijn drieën ondergedoken in Amsterdam bij een kunstenaar. Dat werd toch te gevaarlijk, dus mijn moeder ging naar Haarlem, mijn vader is in Amsterdam gebleven en ik ging naar Bussum naar mijn oom en tante. Dat was een broer van mijn vader. Hij was ook joods, maar zijn vrouw niet. Als je zo’n gemengd huwelijk had, had je een grotere kans om te overleven. Toch moest hij later ook onderduiken, dus kon ik daar niet meer blijven. Er is een ander adres voor mij gevonden, in de Pieter van der Doesstraat hier in Amsterdam. Daar was nog een joods meisje ondergedoken. Zij werd verraden en toen heeft zij mij weer verraden. Ik werd als driejarig meisje in de gevangenis gezet op het Leidseplein, in mijn eentje. Na de gevangenis kwam ik in Westerbork terecht. Daarna werd ik weer op de trein gezet met allemaal andere kinderen, dit keer naar kamp Bergen-Belsen in Duitsland. Na drie maanden kwamen we in Theresienstadt terecht. Daar was het niet zo erg als in de andere kampen. We zijn daar uiteindelijk bevrijd door de Russen. Met het vliegtuig ben ik terug gekomen naar Nederland.’

Hebben uw ouders de oorlog overleefd?
‘Mijn vader niet, die is vermoord. Hij is ook op zijn onderduikadres in Amsterdam verraden en opgepakt. Toen ze onderweg waren naar het politiebureau heeft hij geprobeerd te vluchten. Bij deze vluchtpoging werd er op hem geschoten dus belandde hij in het ziekenhuis. Daar is hij toch weer gepakt en vervolgens naar Westerbork gebracht. Voordat de trein uit Westerbork naar Auschwitz vertrok, heeft mijn vader nog een briefkaart uit de trein kunnen gooien. Deze heb ik nu nog steeds. Het was een heel positief bericht, maar ik denk dat hij dit alleen maar deed om mijn moeder gerust te stellen. Mijn vader werd bij aankomst in Auschwitz meteen vermoord. Het was 28 februari 1943 en hij was nog maar 26 jaar.’

Hoe ging het verder met uw moeder?
‘Ze ging door met verzetswerk, zoals stiekem krantjes maken waar het echte nieuws in stond. Ze kregen via radio Oranje zulke berichten door. Mijn moeder bracht die krantjes rond in de kinderwagen. Ik lag als baby bovenop die krantjes. Toen ik eenmaal gescheiden was van mijn moeder wist zij al die tijd niet of ik nog wel leefde. Aan het eind van de oorlog had ze via via gehoord dat ik nog in leven was en per vliegtuig aan zou komen in Eindhoven. Ze stond me daar op te wachten. Ik herkende haar helemaal niet en zij mij ook niet. Er stond een mager, doodziek meisje voor haar. Ik had allerlei ziektes opgelopen in de kampen. Gelukkig had mijn moeder inmiddels een huis in Amsterdam waar we heen konden.’


Erfgoeddrager: Kayleigh

‘De soldaten lachten alleen, maar wij voelden ons helden’

Tay-Ishja, Jitske en Kayleigh van basisschool De Meidoorn gaan voor hun interview naar Slotermeer waar Jos Paalvast en haar man Arnold nu wonen. Daar worden ze ontvangen met chocomel, thee en chocolaatjes. De drie meiden nemen plaats op de bank, terwijl Jos in de gemakkelijke stoel gaat zitten.

Hoe was het als kind in de oorlog?
‘Ik ben eind november 1939 geboren, dus ik was pas een half jaar toen het begon. Ik heb herinneringen vanaf toen ik een jaar of drie was. Wij woonden vlakbij het Surinameplein en dat was toen de rand van de stad, daar konden wij heerlijk buiten spelen. Er was een grote zandvlakte waar we hutten bouwden en in de winter was het prachtig met al die sneeuw. Dat was een heerlijke plek voor kinderen. Ik heb een leuke jeugd gehad, kun je nagaan in de oorlog! Als kind beleef je dat anders, er werd veel voor ons verborgen gehouden. Ik merkte natuurlijk wel de angst bij volwassenen, zoals toen er een keer een stuk van een vliegtuig in het weiland terecht was gekomen. Met een vriendinnetje deden we altijd alsof we Engels konden, maar het leek natuurlijk nergens op. Ik heb daar later nog wel eens aan gedacht; hoe krankzinnig dat eigenlijk was. Wij speelden ook vaak soldaat en verpleegster, dan had ik een doekje op mijn hoofd. Er was een school op de Hoofdweg die bezet was door Duitsers. Als we daar langs liepen dan spuugden we naar ze. Die soldaten lachten alleen, maar wij voelden ons helden.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘We kregen vanuit school aardappelschillensoep, als je maag maar een beetje gevuld was. Of we aten stroop van suikerbieten, dat vond ik zo lekker. Een keer hebben we koolraap gegeten en daar moest de hele familie van spugen. Dat hebben we dus nooit meer gegeten. Er waren ook mensen die omkwamen van de honger, die zag je dan weggedragen worden. Dat maakte grote indruk. Omdat mijn vader eten kon halen bij familie, hebben wij het nog niet zo slecht gehad. De familie had een boerderij, waar hij op een fiets met houten banden naartoe ging om eten te halen. Zijn auto had hij namelijk in moeten leveren. Hij moest voor het donker thuis zijn en het eten kon ook afgepakt worden. Als kind besef je niet hoe gevaarlijk dat is. Ik heb nog wel een leuk verhaal over de Hongerwinter, maar dat was natuurlijk niet leuk. Wij hoorden ‘s nachts een schrapend geluid bij de voordeur, bleek dat een koe aan het deurraampje stond te likken. Buren vroegen aan ons: waarom heb je hem niet binnen gezet? Zo wanhopig waren mensen. Er waren ook mensen die zingend langs de straat gingen om geld te verdienen. Die mocht ik dan een dubbeltje geven. Wat je kon missen dat gaf je.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Vliegtuigen gooiden pakketten met etenswaren neer bij de dijk. Daar liep ik heen, maar dat was eigenlijk net even te ver. Ik kreeg toen ook uit Amerika hele mooie laarsjes en snoep. Kinderen konden na de oorlog ergens naartoe om aan te sterken, maar wij hoefden niet. Wij waren met vijf kinderen, maar zijn allemaal gezond gebleven. Als kind mocht je niets weten, dat hoorde je allemaal later. Mijn vader had bijvoorbeeld Engelse piloten verborgen op het terrein waar hij werkte. En mijn tante Truus was in verwachting toen haar man werd doodgeschoten die in het verzet zat. Bij elke verjaardag na de oorlog kwamen er zulke verhalen naar boven.’

           

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892