Erfgoeddrager: Joel

‘Doordeweeks aten we alleen een soort van cake, die we Johnny Cake noemden’

In het verzorgingstehuis waar de 82-jarige mevrouw Inez de Graf uit Aruba woont, heerst een vrolijke sfeer. Mensen spreken elkaar joviaal toe, maken grapjes en begroeten elkaar hartelijk. Mevrouw Graf vindt het best spannend dat Joel en Robel van de VoX-klassenhaar komen interviewen, maar de jongens voelen zich er wel op hun gemak en beginnen snel aan hun vragen.

Kunt u zich nog veel herinneren van hoe het was op Aruba toen u klein was?

‘Ik denk het vaakst aan mijn moeder en mijn zusjes, we waren met zeven kinderen thuis. Ik werd als meisje van bijna zes jaar gedoopt en ging toen naar de katholieke school en naar de katholieke kerk.  Ik heb mijn heilige communie gedaan en aan alles wat de kerk had, hebben we meegedaan. Toen ik twintig jaar was ben ik getrouwd, ook in de katholieke kerk. Tot nu toe ben ik nog steeds katholiek.

We waren arm, maar mijn moeder deed wat ze kon. We hadden een douche buiten en een toilet. Het toilet was een gat in de grond. Wij kleine kinderen mochten daar niet naar toe, mijn moeder vond dat gat gevaarlijk. Dus wij gingen op de po, want daar konden wij op zitten. Mijn moeder gooide hem daarna leeg in de wc. De douche was een pan met water waar we ons alle zeven in moesten wassen, met hetzelfde water. Kan je dat geloven? Die dingen gebeuren niet meer.’

In welke omstandigheden leefde tijdens de Tweede Wereldoorlog op Aruba?

‘Je mocht na zessen niet meer op straat. Dan klonk de sirene en reden de soldaten in een jeep door de straat en riepen door een luidspreker: “Iedereen van de straat af, het is te gevaarlijk.” Ze waren bang dat de Duitsers zouden schieten. Iedereen ging dan naar binnen. De Duitsers wilden de olie op Aruba hebben. We waren bang dat ze weer een bom op Lago zouden gooien, dan waren we allemaal dood. Dus de mensen waren bang, ze huilden en baden. Het was een vervelende tijd, jongens. Wij hadden heel weinig eten, maar we hadden wel een paar kippen op het erf. Dus zondag aten we kip, maar doordeweeks aten we alleen een soort van cake, die we Johny Cake noemden en waar we soms een beetje suiker op kregen. Verder hadden we niets. Het was oorlog, de winkels waren gesloten. Ik herinner me dat mijn tante met twee kinderen langskwam en zei: “We gaan allemaal samen dood, we redden het niet, want je kan het vuur al zien.” We wisten niet wat er allemaal gebeurde, we hadden geen radio. Alleen de buurman had een kleine radio, daar konden we luisteren hoe het in Nederland was. Op school hoorde je soms de sirene loeien. Dan moesten we allemaal opstaan en naar buiten rennen. Daar stond een tent waar we onder moesten zitten wachten tot we de sirene niet meer hoorden. Pas daarna mochten we naar onze klas terug. Het waren vreselijke angstmomenten, we keken de hele tijd naar boven om te zien wanneer de soldaten en de vliegtuigen over waren gevlogen.’

 Wat herinnert u zich nog van het dagelijks leven op Aruba tijdens de oorlog?

‘We woonden in Sint Nicolaas. Ons huis was van hout, door de kieren zag je het licht. We hadden geen centrale verwarming, maar kerosinelampen. Soms klopten de soldaten op de deur: “Doe het licht uit.” Mijn moeder stopte dan lappen stof in de kieren van de muur, zodat de soldaten het licht van buiten niet konden zien. Mijn vader kwam op Aruba werken en ontmoette hier de meisjes van Aruba. Maar hij ging weer weg toen Lago werd gesloten door de Amerikanen en iedereen terug naar zijn eigen land moest. Daarom had mijn moeder het heel moeilijk, we hoorden niks meer van hem. Ja, hij belde af en toe, om te vragen hoe het met de kinderen ging. Maar het leven was zwaar voor mijn moeder, met zeven jonge kinderen. De pastoor gaf een papiertje waarmee ze naar de winkel kon gaan en dan kreeg ze een jurk of andere kleren. Die pastoor hielp veel mensen op Aruba. Op school mocht je alleen Nederlands praten, geen Engels praten en geen Pappiamento, want dan werd je gestraft. De indianen op Aruba spraken veel pappiamento. En thuis spraken wij Engels. Daarom is de taal voor de kinderen die hier in Nederland komen zo moeilijk. Ze spreken weliswaar verschillende talen, maar het Nederlands beheersen ze niet zo goed.’

Waarom verliet u Aruba en ging u naar Nederland?

In 1964 kreeg ik een auto-ongeluk en ik liep ik een gebroken heup op. Ik lag drie maanden in een ziekenhuis op Aruba, maar eenmaal huis liep ik niet goed en had ik veel pijn. Dus mijn man ging naar de gemeente, die in die tijd veel mensen naar Nederland stuurde omdat daar de zorg beter was. In Nederland kwamen de artsen erachter dat er een scheur in het bot zat, waardoor het niet goed geheeld was. Dus vijlden ze het en zetten ze er een stuk metaal in. Na drie maanden ging ik terug naar Aruba. Maar daar draag je geen schoenen en ben je veel buiten. Ook was de behandeling op Aruba anders dan in Nederland, dus ik kreeg weer pijn in de heup en moest weer terug naar Nederland. Daar ontdekten ze dat mijn ene been vijf centimeter korter was dan mijn andere been. Nu ik ouder word, heb ik problemen aan mijn goede been, het is versleten doordat ik daar teveel mee heb gelopen. Maar ik heb nu ‘opgebouwde’ schoenen en daarom loop ik gelukkig weer goed.’

Als u iets zou kunnen toevoegen of weglaten van de cultuur in Nederland, wat zou dat zijn?

‘Helemaal niks, want ik houd van alles wat ik heb hier. Ik word zo verwend. Ik ga niet meer naar Aruba, ik was daar voor het laatst in 2014 voor drie maanden vakantie. Maar ik heb niks daar. In Holland leren de kinderen veel. Maar ze moeten wel hun best doen. Het leven dat de kinderen hier hebben is luxe. Ja jongens, zo is het. Doe je best, later krijg je kinderen, een vrouw en zo gaat je leven door. Ik wens het beste voor jullie. Jullie hebben het geluk in je handen. Jullie krijgen geld van de gemeente om te studeren, maak er het beste van, ik wens jullie het beste.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Joel

De soldaten brachten de bakker en zijn vrouw naar de ‘Joden Savanne’

Dederee, Joel en Samuel van basisschool De Morgenster spraken met mevrouw Celine Hasselaar over Suriname in oorlogstijd. Zij was tien toen de oorlog begon en woonde toen bij een pleeggezin.

Hoe oud was u toen de Tweede Wereldoorlog begon?
Ik was tien en woonde in Paramaribo op een groot erf bij een Chinees pleeggezin. Daar woonde ik sinds mijn zevende. Mijn ouders, die Indianen waren, woonden in het oerwoud van Suriname. Ze hadden nooit leren lezen en schrijven en wilden dat ik dat wel zou leren. In het pleeggezin werd Chinees gesproken. Op school leerde ik Nederlands. Toen de oorlog begon konden we nog alles kopen, alleen de luxe spullen kwamen niet meer uit Nederland. Bij ons was geen oorlog. Op het erf waren wel militairen met hun gezinnen. Op een dag gingen deze militairen de Duitse bakker ophalen. Ze vroegen aan zijn vrouw waar hij was. Hij sliep nog. We zagen hem in een soort jurk naar buiten komen. Hij had een mutsje op met een kwastje eraan. Het waren hele aardige mensen. Ze bakten heel lekker brood en gebak. De soldaten hebben hem naar de ‘Joden Savanne’ gebracht. Daar werden de Duitsers gevangen gehouden. We hebben de Duitse bakker en zijn vrouw niet meer teruggezien.’

Vond u het niet verdrietig dat u bij pleegouders moest wonen?
Ik vond het vreselijk. Ik miste mijn familie heel erg en het was alsof mijn ouders mij weg deden, alsof ze me niet meer wilden hebben. Het was ook niet leuk in dat pleeggezin. Ze hadden al grote kinderen, die aan het werk waren in het onderwijs en als apothekersassistente. Een van de jongens had een garage Ik was het kleine kind in huis. Voor ik naar school ging, moest ik heel hard werken. Dan moest ik de vloeren schoonmaken en als ze vonden dat het niet goed was gedaan, kreeg ik slaag. Ik werd heel veel geslagen. De eerste jaren zag ik mijn ouders niet. Ik ben daar gebleven tot ik elf was. Mijn moeder kwam langs en wilde dat ik andere kleding aandeed. Toen ontdekte ze dat ik werd geslagen. Ze heeft me mee naar huis genomen. Had ik het maar eerder aan mijn moeder verteld, maar ik durfde dat niet. Daarna kwam ik bij een ander pleeggezin met jonge kinderen; daar heb ik het heerlijk gehad. De moeder was lief en ik vond die kleine kinderen heel leuk om mee te spelen en om vast te houden.’

Hoe kwam uw familie de oorlog door?
‘Mijn ouders – mijn moeder heette Frederika en mijn vader Jacques – merkten ook niets van de oorlog. Zij werkten in het binnenland van Suriname. In het oerwoud vind je alles wat je nodig hebt. Mijn vader werkte er in het bos. Hij kapte grote bomen. In Suriname leven nu nog twee zussen van me, zij zijn 92 en 94. In 2014 ben ik voor het laatst in Suriname geweest. Ik heb er afscheid van genomen. Ik ga er niet meer heen.’

Hoe komt het dat u zo lief en vriendelijk bent gebleven?
‘Ik heb veel aardige mensen leren kennen. Ik heb wel geleerd om te kijken hoe mensen zijn. Niet iedereen is aardig. Jullie wel. het is fijn om met jullie te praten.’

 

   

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892