Erfgoeddrager: Jasmine

‘Midden in de nacht werden we wakker van de honger’

Huub Liebrand woonde tijdens de oorlog in de Marco Polostraat, maar tegenwoordig woont hij in Geuzenveld. Huub heeft allemaal mooie foto’s en schilderijen aan de muur hangen, waar bijzondere (oorlogs)verhalen achter zitten die hij graag met Jasmine, Nana en Spencer van de Admiraal de Ruyterschool deelt.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
We werden wakker op 10 mei 1940 door het geluid van vliegtuigen. Toen we naar buiten keken, zagen we Duitse vliegtuigen. Er werd door Nederlands afweergeschut op geschoten. De dag dat de oorlog uitbrak, was de dag dat mijn ouders 12,5 getrouwd waren. De kamer was versierd. Wij hadden feest, maar er was geen feeststemming. De Duitsers kwamen de stad binnenrijden over de Hoofdweg met tanks en vrachtwagens. Wij gingen daar naar kijken. Bij de bevrijding kwamen de Canadezen ook via de Hoofdweg de stad in. Toen ben ik daar ook weer gaan kijken. Er werd chocolade en sigaretten uitgedeeld. Na de bevrijding wilde ik naar de Dam want daar was een groot feest. Ik liep door de Kinkerstraat op weg naar de Dam. Toen ik langs de Da Costakade liep, zag ik uit het gebouw van de Stadsreiniging allemaal verzetslieden in blauwe overalls komen met geweren in hun hand. Ze hadden blijkbaar gehoord dat er Duitsers op de Dam aan het schieten waren, dus die liepen via de Kinkerstraat zo naar de Dam toe. Ik ben snel naar huis gelopen toen ik dat zag. Heel in de verte hoorde ik schoten.’

Zat u ondergedoken?
‘Ik ben zelf niet joods, dus ik heb dat gelukkig niet hoeven doen. Mijn eerste vrouw, die ik na de oorlog heb ontmoet, was joods. Haar moeder had het gezin in de steek gelaten. Haar vader bracht haar daarom elke dag naar de crèche. Dat is een hele beruchte crèche geworden, want die was tegenover de Hollandse Schouwburg. Het was een crèche speciaal voor joodse kinderen. Vanaf daar zijn later ontzettend veel joodse kinderen weggevoerd. Haar vader liep met de kinderwagen elke dag langs een joodse schoenmaker. Die mensen hebben mijn moeder in huis genomen en dat zijn haar pleegouders geworden. De situatie werd steeds erger voor de joden, ze werden steeds meer vervolgd. Op een gegeven moment moest mijn vrouw ook onderduiken. Ze is door mensen van het verzet naar verschillende adressen gebracht en uiteindelijk is naar Limburg gebracht. Haar pleegouders zijn helaas opgepakt en vergast. De vader van mijn vrouw is tijdens de oorlog met een christelijke vrouw getrouwd en dat heeft hem gered. Ook al heb ik het zelf tijdens de oorlog nooit mee hoeven maken, weet ik door de verhalen van mijn vrouw hoe erg het is geweest.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Bij de gaarkeuken kreeg je bijvoorbeeld stamppot van suikerbieten. In de soep zat altijd zand. Heel veel mensen vielen flauw in de rij omdat ze zo’n honger hadden. Wat ook niet mee hielp, was dat het een hele strenge winter was. Er waren geen kolen meer dus je had ook geen verwarming. Ik ging wel eens met mijn broer op pad om hout te stelen voor in de kachel. Vanuit de Marco Polostraat liepen we helemaal naar het Olympisch stadion. Daar stond een houten bruggetje waar we iets van tien balkjes uit sloopten. Toen we een paar dagen later terug kwamen om nog meer hout te stelen, was de hele brug weg. Blijkbaar hadden andere mensen hetzelfde idee gehad. We zaten vaak ‘s avonds in het donker met dekens om ons heen en hadden altijd maar honger. Mijn moeder had eens ergens een zakje surrogaatpudding vandaan gehaald. We hadden zo’n honger, maar het was niet om te eten. We zijn van ellende maar naar bed gegaan. Midden in de nacht werden we wakker van de honger. Toen heeft mijn moeder weer het kacheltje aangemaakt en hebben we toch die pudding opgegeten. Ik gooi daarom nooit eten weg. Ik kan best kwaad worden als ik zie dat mensen eten weggooien.’

Erfgoeddrager: Jasmine

‘Op een velletje wc-papier schreef m’n vader zijn laatste briefje aan ons’

Dopey Philippsborn was anderhalf jaar oud toen de oorlog begon. Haar echte naam is Maria Helena, maar nadat haar moeder de film Sneeuwwitje en de zeven dwergen had gezien, werd ze naar de kleinste dwerg vernoemd: Dopey. Aan Jasmine, Safae en Rim  van basisschool De Nautilus vertelt ze over haar vader, die in 1941 werd opgepakt en naar een werkkamp moest. Hij overleefde de oorlog niet.

Denkt u nog vaak aan de oorlog?
‘Niet zozeer aan de oorlog, wel aan dat ik geen vader heb gehad. Mijn vader had veel Joodse vrienden die moesten onderduiken. Hij was handelaar en hielp hen aan eten en spullen. Dat ging goed tot 1941; toen is hij weggehaald. Via de kampen Westerbork en Vught kwam hij in het Duitse Siegen. Daar moest hij heel hard werken, terwijl hij weinig te eten kreeg waardoor hij twee maanden voor het einde van de oorlog is overleden. Dat hoorden we pas maanden na de bevrijding. Dus ik heb nooit een papa gehad. Ik heb hier nog een velletje wc-papier, waarop mijn vader vanuit kamp Vught aan de ene kant iets voor mijn zus heeft geschreven en aan de andere kant voor mij. Dat is het laatste wat ik van hem heb. Hij eindigt met: ‘Denk niet te veel, maar als je het doet, met liefde aan je vader’. Mijn moeder werd later ook verhoord door de Gestapo in de Havenstraat. Ik was doodsbang dat zij ook niet meer terug zou komen.’

Besefte u als klein meisje wat oorlog was?
‘Niet zo erg. Wel besefte ik dat we geen eten hadden en dat mijn moeder zo vreselijk ongerust was. Ze ging vaak naar waarzegsters om maar te horen of papa nog leefde en terug zou komen. De dokter gaf haar opiaat om rustiger te worden, maar daar is ze wel ruim tien jaar verslaafd aan gebleven. Mijn zus was dertien jaar ouder dan ik. In 1944 is zij naar Parijs gegaan om haar studie aan de kunstacademie af te maken. Ze is daar gebleven en ik heb haar pas weer teruggezien toen ze getrouwd was en twee kinderen had. Er was een groot leeftijdsverschil en we hadden niet zo’n band. Zij is vier jaar geleden overleden. Ik vind het eigenlijk jammer dat ik haar te weinig heb gevraagd naar wat er precies allemaal is gebeurd. Mijn moeder praatte er ook niet zo makkelijk over.’

Speelde u veel op straat in de oorlog?
‘Tegenover ons huis was een badhuis en in de oorlog werden daar mensen ontluisd. Omdat mijn moeder bang was dat ik die luizen ook kreeg, mocht ik nooit voor de deur spelen. Ik ging vaak even naar het café op de hoek, waar ik de score van het biljarten mocht bijhouden en soms iets lekkers kreeg. En ik speelde veel in onze achtertuin die aan het Vondelpark grensde. Daar mocht ik niet in, want daar zaten de Duitsers. Maar voordat op Bevrijdingsdag het park weer officieel openging, ben ik door de tuindeur erin gegaan. Het was een jaar dicht geweest, dus het gras stond wel een meter hoog. Daar ben ik in gaan liggen, er helemaal in verstopt. Dat voelde zo heerlijk. In 1946 zijn mijn moeder en ik verhuisd, maar toen ik jaren later zelf twee dochters had en met mijn man op zoek was naar een woning, kregen we heel toevallig het aanbod om in de Zocherstraat nummer 85, vlakbij m’n ouderlijk huis, te gaan wonen! Daar heb ik nog 42 jaar gewoond.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892