Erfgoeddrager: Imane

‘Oudere overburen werden ruw de vrachtwagens ingeduwd’

Toos Schut-Demoitie (1935) vertelt aan Luke, Anne en Imane van de 3e Daltonschool over haar gedwongen verhuizing naar Amsterdam-Zuid, over het luchtalarm, de stinkende schuilkelders en hoe ze zag dat haar Joodse buren werden weggehaald.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘We woonden in Castricum, bij de duinen. Alle huizen aan de duinkant moesten worden afgebroken, omdat de Duitsers vanaf daar Engelsen wilden kunnen beschieten. Wij moesten weg – dat vond ik heel erg –  en kwamen in de Swammerdamstraat terecht. Ik was toen zeven en kwam op de tweede etage met vijf broertjes en zusjes in een kleine woning. Het was tijdelijk; mijn ouders dachten dat de oorlog niet zo lang zou duren, maar we hebben daar dus toch vier jaar gewoond. Voor ons woonde er een Joods stel dat zelfmoord heeft gepleegd. Mijn vader heeft ons dat pas later verteld.
Om ons heen werden Joodse mensen weggehaald, ook mijn vriendinnetje. Ik hoor nog het gestamp van die zware laarzen en het bonzen op de deur. Je moest dan je identiteitsbewijs laten zien. De Joden werden met vrachtwagens afgevoerd. Dat heeft op mij als kind veel indruk gemaakt. Oudere overburen, die niet zo goed zelf in de vrachtauto konden komen, werden er ruw ingeduwd. En je ziet je vader en moeder voor het raam staan huilen. Mijn vader zei: “Ik ben bang dat ze niet meer terugkomen”.’

Wat vond u het engste moment in de oorlog?
‘Als het alarm afging. Dan moest je naar de schuilkelders, of naar de benedenwoningen. In de schuilkelder zat je met veel mensen op elkaar gepropt, en het stonk er. Als er geen alarm was, waren er misschien ook wel kinderen aan het spelen, die daar ook wel eens geplast hadden. Bij ons in de buurt viel het mee, de bombardementen waren meer bij de fabrieken aan het IJ.
Mijn ouders hadden het wel eens over die vuile NSB’ers. Ik heb dat toen een keer tegen een meisje waar ik ruzie mee had gezegd. “Jouw vader, die vuile NSB’er”. Toen heeft haar moeder mijn moeder gewaarschuwd en gezegd dat haar man niet zo’n slechte NSB’er was. Ik moest dus leren dat ik dat niet zomaar kon zeggen, maar als kind kon ik dat moeilijk doorzien. Sommige NSB’ers hadden een band om, die werden door de Duitsers ingezet om hen te helpen. Maar aan velen kon je het niet zien. Je voelde je niet veilig. Wie kon je vertrouwen?
Veel dingen gingen ook gewoon door in de oorlog, zoals school, maar ook hele leuke. Zo was ik bruidsmeisje op het huwelijk van de benedenbuurvrouw. Ook kon je buiten spelen – we deden busjetik, een soort verstoppertje – en zwemmen in de Amstel. Dat mocht eigenlijk niet van mijn moeder; die was als de dood voor waterratten.’

Hebben jullie honger gehad?
‘Mijn ouders hadden een vooruitziende blik. Toen het nog kon heeft mijn vader heel veel rijst ingekocht. Dat hebben we op allerlei manieren bereid gegeten. Ook haalden mijn ouders eten bij familie in Castricum, al werd dat soms op de terugweg afgepakt. Mijn moeder verborg het eten in haar schort, en daarover had ze een wijde jas aan. Dan deed ze alsof ze in verwachting was. Later vertelde ze me dat ze zich schaamde, dat ze misbruik maakte van iets dat niet waar was. Mijn moeder het zwaar heeft gehad in de oorlog. Er waren bijvoorbeeld ook geen medicijnen. Mijn broertje had difterie en vaak zat ze bij zijn bedje te huilen. Hij heeft het gelukkig overleefd, maar we hebben weken gedacht dat hij dood zou gaan.
Toen de eerste geallieerden aan land kwamen, dacht iedereen dat het snel voorbij zou zijn, maar het heeft toen nog een jaar geduurd. We bleven in het kleine huis, omdat er bijna geen kolen meer waren om je huis mee te verwarmen. Een groter huis was kouder geweest.
Gelukkig kwam in mei 1945 de bevrijding. Ineens zag je mensen dansen en feestvieren; ze waren uitzinnig blij. Maar ik heb ook gezien dat meisjes die verliefd waren geworden op een Duitser – moffenmeiden –  werden kaalgeschoren, op een wagen gezet, en ingesmeerd met rode menie. Dat vond ik heel erg en dat vind ik nog steeds.’

Hoe voelt u zich bij het denken aan de oorlog?
‘Ik heb wel eens gelezen over hoe het voor de Duitsers in de oorlog was. Velen van hen hadden geen keus, zij werden gedwongen om te gaan werken. Hun vrouwen hebben het heel slecht gehad in de oorlog en veel mannen zijn nooit teruggekomen. In de oorlog haatte ik de Duitsers toen ik hoorde dat mijn vriendinnetje niet in het Sarphatipark mocht komen, alleen omdat ze Joods was. Nu komt er meer begrip voor de kant van Duitsers die ook maar werden gedwongen.’

              

Erfgoeddrager: Imane

‘Wij maakten wel eens zelf een voetbal van papier en een oude binnenband’

Toen Hans van ’t Veer de school binnenkwam, was Imane verbaasd dat hij er nog zo jong uitzag. Dat had ze niet verwacht. Meneer Van ’t Veer kan zich nog veel herinneren uit zijn jeugd. Hij vertelde dat hij blij is hoe zijn ouders voor hem hebben gezorgd in de oorlog, en dat hij gelukkig niet veel heeft geleden in die tijd. Hij was pas vier toen de oorlog begon.

Uw vader had een slagerij. Hoe ging daarmee in de oorlog?
‘Dat mijn vader slager was, heeft ons eigenlijk in leven gehouden. Wij woonden achter de winkel in de Van der Pekstraat. In 1943 en 1944 werd het voor de mensen heel moeilijk. Er was weinig te eten. Veel mensen werden ziek of gingen dood omdat er geen voedsel was. Als slager kreeg mijn vader kreeg eens in de vier weken ‘ziekenvlees’. Dat was vlees dat hij eens per week mocht geven aan mensen die extra voeding nodig hadden omdat ze ziek waren. Als er wat van het ziekenvlees overbleef, moest mijn vader dat teruggeven aan de Duitsers. Maar het was nooit precies duidelijk hoeveel vlees dat was, dus kon mijn vader wat achterhouden. Hij kon het eigenlijk stelen.. En dan kon mijn vader handelen met dat vlees, door het bijvoorbeeld te ruilen voor steenkolen zodat wij ons huis konden verwarmen, of voor kruiden. Het kwam ook geregeld voor dat als ik terugkwam uit school, er wel zeker acht mensen aan onze tafel zaten. Dan had mijn moeder voor die mensen gekookt.’

Wat vond u het ergst tijdens de oorlog?
‘Het klinkt misschien raar, maar ik heb eigenlijk niet zo vreselijk veel geleden. Ik heb geen familie verloren en ik was natuurlijk ook erg jong. Ik was bijna 10 jaar toen de oorlog was afgelopen. Ik heb wel meegemaakt dat tijdens een bombardement op Noord de ruiten kapot gingen en de plafonds naar beneden kwamen. Dat was niet zo leuk. Maar als kind vond je het eigenlijk ook wel heel wat dat je een luchtgevecht boven je huis had, dus een gevecht tussen twee vliegtuigen. Dan hoorde je ‘pang, pang, pang’ van het schieten.’


Kon u gewoon spelen tijdens de oorlog?

‘In het begin van de oorlog kon je eigenlijk alles nog doen. Pas na de bombardementen op Noord moest ik in de buurt van ons huis blijven. Ik mocht alleen met vriendjes uit de buurt spelen zodat we snel de schuilkelder in konden als het luchtalarm ging. We gingen dan bijvoorbeeld zwemmen in de bomkraters voor ons huis. Als het had geregend waren dat grote plassen geworden waar we in onze onderbroek in konden zwemmen. Mijn ouders vonden dat niet goed, maar eigenlijk alleen omdat er ratten in het water zwommen waar ik ziek van kon worden. En we hadden ook wel speelgoed, maar niet zoveel en anders dan jullie nu hebben. Veel speelgoed was door de vaders getimmerd. Wij maakten zelf wel eens een voetbal van een prop papier en van oude binnenbanden van een fiets. Daar knipten we rondjes af en vouwden we om het papier. Zo had je een bal waarmee je aardig kon voetballen!’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892