Erfgoeddrager: Gijs

‘Dat ik het heb overleefd is een wonder’

Koos Bonke is een echte Haarlemmer. Hij groeide op in de Amsterdamse buurt en het interview is daar vlakbij, in een mooi oud huis aan het Spaarne. Mauro, Gijs en Boris luisteren aandachtig naar zijn verhaal en bekijken zijn fotoboeken over de Hongerwinter en de bombardementen in Haarlem. ‘Tijdens de bevrijding kreeg mijn zus een reep chocolade van de Canadezen. Ze at ‘m helemaal op! Ik mocht aan het papiertje ruiken…’

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak en wat deed u in die tijd?
‘Ik was vier jaar en ik woonde met mijn zes jaar oudere zus en mijn ouders in de Vooruitgangstraat. Mijn vader was tewerkgesteld in Duitsland vanwege de ‘Arbeitseinsatz’, dus we waren meestal met z’n drieën. Ik ging naar de Broederschool aan het Teylerplein. Daar hadden ze gaskachels dus de school bleef open en het was er lekker warm. ‘s Avonds in bed hoorde ik de Engelse vliegtuigen overkomen. Ze gingen naar het Ruhrgebied in Duitsland. Op de heenweg maakten ze een zwaar ronkend geluid, want dan hadden ze bommen aan boord. Een uur of vier later kwamen ze terug en maakten ze een veel lichter geluid omdat ze de bommen hadden gedropt.’

Wanneer was het bombardement op de Amsterdamse buurt en wat weet u daar nog van?
‘Het was in 1943. Mijn moeder en mijn zus waren naar de kerk, om te bidden voor vrede denk ik… Ik was thuis en lag in bed. Opeens was er een enorme klap, de wekker viel van het nachtkastje. Mijn moeder had gezegd: “Als er iets gebeurd, blijf in bed liggen!” Dus dat deed ik. Toen mijn moeder en zus thuiskwamen, moest ik snel meekomen. Mijn zus zei dat je buiten bijna niets kon zien door de stofwolken. Er waren twee huizen in de straat helemaal weg. Wij hadden nog geluk, want bij ons was alleen een raam stuk. Er zijn 86 mensen omgekomen bij het bombardement. Dat ik het heb overleefd is een wonder.

Er lag een ‘blindganger’ in de straat, dat is een bom die nog niet was afgegaan. Dat was gevaarlijk en dus moesten we naar het huis van een oom en tante in de buurt. Overal op straat waren kleine brandjes die waren ontstaan door ontplofte kachels. In de Van Zeggelenstraat zag ik hoe het dak van een huis was opgetild door de luchtdruk van de ontploffing. Het lag op straat. Aan de Zomervaart zat een man met zijn arm in het water. Hij had fosfor op zijn arm gekregen, van een fosforbom, een brandbom. Fosfor blijft branden als er zuurstof bij komt, dus elke keer als die man zijn arm uit het water haalde begon die weer te branden. Ik weet niet hoe het met hem is afgelopen, want we moesten verder… ‘

Wat kreeg u te eten in de oorlog en hoe was het voor u in de Hongerwinter?
‘Na het bombardement mocht mijn vader naar huis komen. Hij had Duits brood meegenomen, van dat zure brood! Ik had honger maar vond het niet lekker. Mijn moeder kookte suikerbieten op een heel klein noodkacheltje, een vuurduiveltje heette dat ook wel. Ik moest houtjes hakken voor het kacheltje. Mijn zus mocht een boom halen in de Haarlemmerhout. Die heeft ze met een touw er omheen helemaal mee naar huis gesleept. Om het eten warm te houden had mijn vader een hooikist gemaakt. Je zette het pannetje in het hooi en dan bleef het eten lekker warm.

De Hongerwinter was de laatste winter van de oorlog. Het zuiden van Nederland was al bevrijd, maar de Duitsers probeerden het noorden uit te hongeren. Ik moest ik eten halen bij de gaarkeuken in de Broederschool. Daar hadden ze waterige soep in hele grote pannen: gamellen. Je moest een pannetje meenemen en voedselbonnen. Soms kende ik een broeder van school en dan kreeg ik iets extra’s. Dan leverde ik drie bonnen in en kreeg ik toch 4 scheppen uit de pan!’

 

 

Erfgoeddrager: Gijs

‘Dankzij mijn hoofdpijn bleef ik in leven, anders was ik maar 26 geworden. Nu ben ik 100 jaar’

Wim Blank (100) werd geboren in Wormerveer en woonde daar ook in de oorlog, aan het Sluispad. Hij was 22 toen de oorlog begon en werkte als vertegenwoordiger in gloeilampen voor Philips. Hij is de oudste nog in leven zijnde verzetsstrijder uit de Zaanstreek. Ondanks zijn hoge leeftijd weet hij zich nog veel te herinneren. Nawal, Kingsley, Dilara en Gijs van basisschool Et Buut in Zaandam, interviewen hem in het verzorgingstehuis Mennistenerf.

U zat in het verzet, maar bent u eerst ook gewoon soldaat geweest?

‘Ja, maar gevochten heb ik niet. Ik werd samen met mijn kameraden zes weken voor de oorlog uitbrak opgeroepen. We zaten in drie grote barakken bij Schoorl en wisten eigenlijk amper wat er aan de hand was. Op een ochtend hoorden we vliegtuigen overvliegen, dat waren de moffen. Toen was de oorlog begonnen, maar wij wisten van niks. Een paar dagen later werd de helft van onze groep naar Wormerveer gestuurd. De andere helft, waaronder ikzelf, moest naar de Afsluitdijk om te vechten. We stonden al te wachten op de bus om ernaar toe te gaan, toen onze kapitein eraan kwam, op de fiets. ‘Hoeft niet meer jongens’, zei hij. De oorlog was voorbij. Daarna werden we door de Duitsers gevangen gehouden in onze eigen barakken. Na een week of zes had ik er genoeg van, toen ben ik stout geweest en naar huis gefietst en niet meer teruggekomen

U had een joodse verloofde, hoe heeft zij de oorlog overleefd?

‘Ik had een Joodse verloofde in Zaandam, Miep. Zaandam was de eerste plaats in Nederland waar de Joden weg moesten. Op donderdag kregen ze te horen dat ze op zaterdag hun huizen moesten verlaten. Miep had een zus die getrouwd was met een christenman en die hoefde niet weg. Dus we wisten wat ons te doen stond: trouwen. Ik zat toen al in het verzet en kende iemand op het gemeentehuis in Wormerveer. Die heeft er voor gezorgd dat we ’s morgens in ondertrouw konden. En die middag zijn we toen getrouwd.’

U heeft onderduikers gehad, hoe is het daar mee afgelopen?

‘Slecht. Dat waren twee jonge verzetsmannen van een jaar of 19, 20 uit Amsterdam. Het werd hun daar te heet onder de voeten, dus wij boden ze onderdak. Echt verstopt zaten ze niet, daarvoor was ons huis te klein. Maar dat was op zich geen probleem. Het lastigste was om genoeg eten voor die jongens bij elkaar te krijgen. Op een dag ben ik op de fiets naar de Beemster gegaan om aardappelen en groente te halen bij een boer. Onderweg moest ik twee keer dekking zoeken vanwege het luchtalarm. Toen ik thuiskwam wilden die jongens gaan varen, want ze verveelden zich. Ze konden het bootje gebruiken van de buurman, die ook in het verzet zat. Omdat ze de weg niet kenden, vroegen ze mij om mee te gaan. Maar dat wilde ik niet, want ik had barstende koppijn gekregen van die fietstocht en dat luchtalarm. In mijn plaats ging er een andere jongen uit Wormerveer mee. Allemaal zijn ze toen opgepakt. Een van de jongens had namelijk nog een oranje bandje in zijn zak dat we net daarvoor hadden gemaakt voor op onze overalls, voor als de oorlog voorbij zou zijn. Dus de Duitsers hadden meteen door dat ze in het verzet zaten. Meteen de dag erop zijn ze bij de Zaanse Schans gefusilleerd, op de plek waar nu het monument staat. Dankzij mijn hoofdpijn bleef ik in leven, anders was ik maar 26 geworden. Nu ben ik 100 jaar.

Als verzetsstrijder heeft u ook iemand moeten neerschieten. Waarom?

‘Daar praat ik eigenlijk liever niet over. Die man was gevaarlijk. Hij was geïnfiltreerd in het verzet en had ervoor gezorgd dat al vijf mensen van ons waren opgepakt en gefusilleerd. Hij was een verrader en moest dood. Wat hij precies gedaan had wist ik niet, maar ik kreeg de opdracht om het tedoen, samen met een kameraad. We waren met z’n tweeën op de fiets en volgden de die jongen en schoten hem neer. Hij was niet helemaal dood, en werd naar het ziekenhuis gebracht. Iedereen was bang dat hij daar zou gaan praten. Naar het schijnt hebben de verpleegsters toen een handje geholpen om te zorgen dat-ie gauw dood ging.’

 

 

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892