Erfgoeddrager: Fenna

‘Tijdens de razzia dacht mijn moeder: nu is het gebeurd’

Samuel de Leeuw werd in 1941 geboren in een Joods gezin en een grote Joodse familie.  De meeste familieleden zijn in de oorlog vermoord. Aan Fenna, Matthijn, Samuel en Marijn van de 3e Daltonschool vertelt hij hoe hij het als kleine jongen heeft overleefd.

Wat is er met uw familie gebeurd in de oorlog?
‘Mijn vader werkte bij Hollandia Kattenburg in Amsterdam-Noord. Daar is op 11 november 1942 een inval door de Duitsers geweest. Alle Joodse werknemers werden opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Mijn vader is uiteindelijk vermoord in de gaskamers van Auschwitz. Ik was toen een jaar en mijn moeder besloot dat ze mij wilde laten onderduiken.
Ze had gehoord dat een mevrouw in onze straat Joodse kinderen aan een onderduikadres hielp. Toen mijn moeder haar ernaar vroeg, zei ze: “U bent verkeerd, ik heb hier niets mee te maken”. Maar dat deed ze om een valstrik te voorkomen. Dezelfde avond stonden er twee mannen voor de deur om mij op te halen. Ik kwam bij een liefdevol echtpaar in Limburg terecht. Zij hadden zelf geen kinderen en werden mijn pleegouders. Voor de buitenwereld was ik een neefje; mijn naam was in die tijd Boukje Veenstra. Omdat het in Heerlen te gevaarlijk voor mij werd, zijn ze naar Brunssum verhuisd. Ik dacht dat ze mijn echte ouders waren en heb, voor zover dat kan, in de oorlog een fijne tijd gehad. Mijn (pleeg)opa had een ijswinkel en stond met een ijskraampje op de markt. Ik kreeg altijd ijsjes van hem.’

War gebeurde er met uw moeder?
‘Mijn moeder is door het oog van de naald gekropen. Tijdens een razzia werd de Van Woustraat aan twee kanten afgezet. Ze dacht: nu is het gebeurd, nu is het mijn beurt. Uit alle huizen werden Joodse mensen weggehaald. Mijn moeder wachtte, maar er gebeurde niets. Later hoorde ze van de buurvrouw dat op het moment dat de patrouille voor haar huis stond de Duitsers dachten dat ze klaar waren. Na die dag is ze ondergedoken. Eerst bij een dominee in Haarlem en daarna bij een gezin in Heiloo, waar ze als dienstmeisje werkte en voor drie kinderen zorgde. Ze had een vals persoonsbewijs en kon gewoon over straat. De Duitsers hadden niks door. Ze was een keer ramen aan het lappen toen een Duitse patrouille langskwam. “Gewoon blijven staan, weglopen is veel meer verdacht,” zei de vrouw waar ze bij woonde. Toen de Duitsers “schöne Mädchen” zeiden, antwoordde de vrouw brutaal; “Wil je vanavond met haar uit?” Nou dat vonden ze wel leuk. Mijn moeder niet.’

Hoe is het voor jullie afgelopen?
‘Limburg werd in september 1944 bevrijd. De Hongerwinter heb ik dus niet meegemaakt. Ik weet het niet zeker, maar ik denk me te kunnen herinneren dat ik heb gezien hoe de Canadezen langskwamen. Maar het kan ook zijn dat ik dat heb gehoord. Mijn pleegvader heeft een brief aan mijn moeder geschreven. Door een fout van het verzet was hij achter mijn echte naam gekomen: Samuel de Leeuw. Dat hadden ze een keer per ongeluk op voedselbonnen die ze langs brachten geschreven. Via via kon mijn pleegvader achterhalen waar mijn moeder zat en heeft toen in een brief alle letters van mijn naam verstopt. Dat zag ze niet, maar ze wist toen wel waar ik woonde. Toen ook zij was bevrijd is ze naar Limburg gereisd. Bij aankomst sliep ik al. De volgende ochtend ging ik naar mijn pleegmoeder en zag een vreemde vrouw naast haar in bed. “Goedemorgen moeder, wie is die vrouw?” zei ik. Toen ze zei dat dat mijn moeder was, geloofde ik dat niet.
Het was wennen daarna. In Amsterdam was armoede, de stad was verpauperd, ik had nauwelijks nog familie en er was veel verdriet. Maar mijn moeder heeft dat heel goed aangepakt. Ze heeft me stapje voor stapje laten wennen. Eerst is ze nog even in Limburg gebleven en toen samen met mij naar Amsterdam gegaan. Na een paar weken heeft ze me weer voor een tijdje teruggestuurd naar mijn pleegouders. Dat is een aantal keer gebeurd, zodat ik langzaam kon wennen aan mijn nieuwe leven. Ik ben nog heel vaak in Limburg op vakantie geweest en bij alle belangrijke gebeurtenissen in mijn leven waren mijn pleegouders erbij. Mijn kinderen noemden hen ook oma en opa. Ze zijn altijd mijn familie gebleven.’

             

Erfgoeddrager: Fenna

‘Heb je de cadeautjes voor mijn verjaardag wel meegenomen, vroeg ik tijdens de evacuatie’

Mevrouw van Veen ziet Fenna, Mats, Zaza en Loki al aan komen fietsen en zwaait enthousiast vanaf haar balkon. Ze noemt hen de jonge onderzoekers en is blij dat ze er zijn. Mevrouw van Veen was 2,5 jaar oud toen de oorlog begon. Haar herinneringen zijn dan ook echte jonge kinderherinneringen, zegt ze vooraf.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde aan de Prins Bernhardstraat, die nu de Bernhardstraat heet. In bezettingstijd mochten er van de Duitsers geen straten vernoemd worden naar leden van de koninklijke familie. Toen heette die straat de Frederik Hendrikstraat. Frederik Hendrik was een hele belangrijke man, de zoon van Willem van Oranje, stamvader van het koningshuis. Frederik Hendrik heeft Huis ten Bosch laten bouwen in Den Haag, waar nu Willem en Máxima wonen. Maar dat wisten niet alle Duitse soldaten, ze konden dat niet allemaal gaan nakijken. Wel grappig dus; Frederik Hendrik stond dichter bij het koningshuis dan prins Bernhard, want die was alleen aangetrouwd. En wij woonden in een straat naar hem genoemd! Op de foto zie je de vestjes die mijn moeder had gehaakt. Die waren oranje – een verwijzing naar het Koningshuis – met blauwe vergeet-me-nietjes erop geborduurd. We kregen daar veel leuke reacties op. Het was toch een verwijzing naar het koningshuis dat ver weg was.’

 Was het veilig bij jullie in de straat?
‘Tot september 1944 was de woonsituatie best veilig en normaal. Ik weet nog dat ik tijdens de Slag om Arnhem een vliegtuig zag langskomen met vlammen eruit. Dat beeld vergeet ik nooit meer. ‘Zit daar nog iemand in?’ vroeg ik aan mijn vader. ‘Nee, die is er allang uitgesprongen,’ zei hij. Wij schuilden die dagen samen met onze buren om en om in elkaars kelder. Dat vond ik best gezellig, want ik had een buurmeisje van dezelfde leeftijd. Kort daarna werd het nog gezelliger, met de hele straat – met nog meer kinderen – in de schuilkelder, bij de kinderboerderij in de buurt. Dat vond ik toen best interessant om mee te maken. Op 2 oktober 1944 moesten we evacueren en het enige wat ik vroeg aan mijn moeder was: ‘Heb je de cadeautjes voor mijn verjaardag wel meegenomen?’ Ik werd de dag erna namelijk zeven. Dat had ze, ook al had ze heel veel andere zorgen toen.’

Aan welke gebeurtenis tijdens de oorlog denkt u nog vaak?
‘Aan wat een prestatie mijn ouders hebben geleverd. Tijdens de tweede evacuatie gingen we richting Den Haag, naar mijn opa en oma. Maar we kwamen er snel achter dat we beter terug naar Veenendaal konden gaan, omdat er echt niets meer te eten was in Den Haag. Toen is mijn vader met ons in de handkar en mijn moeder op de fiets van Den Haag naar Veenendaal gelopen. De nagels van zijn voeten vielen eraf. Het was winter en bijna kerst. Mijn moeder heeft als een soort Maria overal aangebeld als we weer een slaapplek nodig hadden. De meest bijzondere kerst in mijn leven was die winter, in een school in Driebergen, samen met andere gezinnen, liedjes zingend in een kring.’

           

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892