Erfgoeddrager: Feline

‘Ik zal jullie iets laten zien, dat moet je niet vergeten.’

Mevrouw Van Imhoff  was 8 jaar toen de oorlog uitbrak, ze woonde op de Zonnekade 1. Ze had een zus, een jaar ouder. Haar vader was tabakshandelaar en haar moeder was advocaat. Ze zat op de Montessorischool.

Hoe kwam u aan eten?
‘Mijn vader was tabakshandelaar, hij werkte in Amsterdam. Vlak voor de oorlog besloot hij het stukje bouwgrond naast ons huis erbij te kopen. Dat was een gouden greep, want vanaf dat moment hadden we een moestuin. We hielden er groenten en kippen en zelfs een bok. We moesten vaak meehelpen, onkruid wieden en rupsen vangen. We hadden het redelijk goed. Om aan eten te komen ruilden we dingen die je denkt niet nodig te hebben; tabak, thee, jenever. De boeren waren daar juist dol op.

Mijn vader werkte in Amsterdam, op een dag nam hij ons mee. Hij zei, ‘Ik zal jullie iets laten zien, dat moet je niet vergeten.’ We gingen naar het Jonas Daniël Meijerplein, we zagen hoe de Joodse buurt helemaal was afgetimmerd met prikkeldraad. Er waren een paar doorgangen maar daar stonden soldaten met geweren en grote honden. Het was afschuwelijk, de mensen konden geen kant uit. Dat ben ik niet vergeten hoor!’

Heeft u iets spannends meegemaakt?
‘We hadden een tweede huisje bij de Kaag en we zeilden daar met een BM. Op een dag was er in het dorp een razzia. We hadden een radio dat was verboden, dus snel moest ik met mijn zus in de zeilboot, met de radio en een hele ronde kaas verstopt onder een deken. Mijn zus en ik varen, maar het was windstil. Een groep Duitse soldaten liepen over de dijk en riepen naar ons, we moesten naar de kant. In mijn paniek stootte ik me aan de radio, ik hoorde iets stuk gaan. Die Duitsers kijken in de boot en onder de deken, ze vinden de radio. Dat was natuurlijk vreselijk. We moesten naar huis varen en die Duitser voer met ons mee. Ik schaamde me rot, ik lag op de bodem zowat want ik wilde niet gezien worden met die Duitser en die hakenkruizen op zijn pak. Toen we bij de steiger kwamen riepen we en mijn moeder hoorde het en zag ons aankomen, snel pakte ze het jasje van mijn vader en hij maakte dat hij wegkwam. We waren over de rooie van de zenuwen. En de radio was ook nog kapot, ze dachten dat ik het expres had gedaan. De kaas hebben ze niet gevonden. Die hebben we later opgegeten.

Iedereen in de buurt hielp elkaar. De buurman hield een inzameling voor spullen om aan de mannen en jongens mee te geven die in Duitsland te werk gesteld werden. De trein naar Duitsland stond op het rangeerterrein aan de De Oosten de Bruijnstraat. Ik ben meegegaan, om de bolderkar vol spullen te brengen. Op een gegeven moment mochten we niet verder. In de verte zag ik de trein stilstaan. De jongens klommen eruit om hun behoefte te doen. Maar ik zag de silhouetten ook onder de trein zitten… Het maakte op mij enorme indruk.

Kende u mensen die Joods waren?
‘Ik had een vriendinnetje Martha Salomonson, zij woonde met haar ouders op de Eindenhoutstraat op het hoekje met de Ipenrodestraat. Ze was een jaartje jonger dan ik maar we zaten bij elkaar in de klas. Ze was Joods en op een gegeven moment waren ze weg. Later kreeg ik nog een ansichtkaart van haar, ze schreef dat ze was verhuisd naar Amsterdam. Misschien woonde ze wel in de afgesloten wijk die ik met mijn vader had gezien. Ze is op transport gesteld naar Westerbork.

Na de oorlog stond er een aankondiging in de krant, dat je contact kon opnemen als je iets wilde weten over de families die verdwenen waren. Ik heb die mevrouw een briefje geschreven, want ik wilde weten wat er met Martha was gebeurd. Later ben ik erachter gekomen dat Martha op 17 maart 1943 is vermoord in de gaskamer.’

 

Erfgoeddrager: Feline

‘Ik had het goed thuis en voelde me veilig’

Mevrouw Koeman is erg geïnteresseerd in de oorlog. Ze denkt er nog vaak aan en heeft krantjes, knipsels en pamfletten bewaard. Die liggen al op tafel als Feline, Maya, Jasper en David van de Bos en Vaartschool in Haarlem binnenkomen. Ze kan zich nu beter voorstellen wat een zorgen haar ouders hebben gehad in de oorlog. “Ik had het goed thuis en voelde me veilig. Als kind wist je niet zoveel over de gevoelens van je ouders.”

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak en waar was u toen?
‘Ik was 10 jaar toen de oorlog begon en ik woonde met mijn ouders en mijn twee broers in een groot huis in Hillegom. Mijn vader handelde in bloembollen met Engeland. Door de oorlog gingen de grenzen dicht en stopte de handel. Mijn vader ging bij zijn vader (mijn opa) op het land werken, die had een bloembollenbedrijf. Hij verdiende toen minder en daarom moesten we verhuizen naar een klein huis bij het spoor.
Ik kan me nog goed de mobilisatie herinneren. Nederland werd voorbereid op de oorlog: Jonge jongens werden opgeroepen voor het leger, ze moesten stand-by zijn. Mensen konden met een grote strik voor het raam laten zien dat ze thuis wel Nederlandse militairen wilde ontvangen. Bij ons kwamen op zondag vaak twee soldaten. Wij kinderen vonden dat leuk en spannend. De een kwam uit Harderwijk, dan ander uit Friesland. We zijn na de oorlog met ze bevriend gebleven.’

Wat deed u tijdens de oorlog?
‘Ik ging naar de Julianaschool in Hillegom en ik speelde veel buiten. We woonden vlakbij het station. Het huis van de stationschef was gevorderd door de Duitsers, er zaten Duitse officieren in. Op een dag hebben ze zomaar een jongetje van een jaar of 7 doodgeschoten. Hij was aan het spelen op de overweg, vlakbij het station. De officieren verveelden zich en schoten voor de lol. Het was echt vreselijk! Daarna hebben we niet meer bij de overweg gespeeld. Maar toch was ik niet bang. Ik had mijn vader en moeder en ik voelde ik mij hartstikke veilig.

Op een dag besloten mijn vader en mijn oudste broer dat ze gingen proberen een biels onder de rails vandaan te halen. Zo’n biels was een dik stuk hout en dat konden we opstoken in de kachel. Toen ze bezig waren aan het spoor werden ze opeens beschoten door de Duitsers vanuit de villa bij het station. Ze wisten gelukkig weg te komen, maar we waren allemaal heel erg geschrokken!’

Was u vaak bang?
‘Dat viel wel mee. Ik was nog zo jong. Voor mijn ouders en mijn oudste broer was het heel anders. Mijn oudste broer was 6 jaar ouder dan ik en hij zou in Duitsland moeten gaan werken. Dat wilde hij natuurlijk niet. Op een dag was er een razzia in onze straat. Alle mensen gaven het aan elkaar door… ‘razzia, razzia’, hoorde je. Mijn vader had een gat in de vloer van de woonkamer gezaagd en een matras in de kruipruimte gelegd. Mijn broer verstopte zich onder de vloer, er ging een kleed over het gat en mijn vader ging erop staan. Mijn jongere broertje en ik zaten aan tafel en spelletje te doen of zo. Toen kwamen de moffen met hun zware laarzen, geweren en uniformen binnen stampen. Ze vroegen aan mijn vader hoeveel kinderen hij had. “Twee”, zei hij en wees naar ons. Wij zeiden niks en ze vertrokken gelukkig weer. Moet je je voorstellen hoe eng dat was voor mijn broer die daar onder de vloer lag en voor mijn vader en moeder. Dat besefte ik pas toen ik zelf kinderen had.’

Heeft u honger gehad?
Nee. Mijn vader teelde groeten en aardappelen. Mijn opa had schapen en wij hadden een geit en konijnen in de schuur. Mijn vader slachtte af en toe een konijn en dan renden wij op school met zo’n konijnenpootje achter de andere kinderen aan om ze bang te maken… De geit hebben we ook opgegeten. Mijn oudste broer heeft wel honger gehad. Hij moest onderduiken in Haarlem. Omdat wij eten genoeg hadden, kwam de zoon van de mensen waar mijn broer zat ondergedoken eten bij ons halen. Mijn moeder maakte dan een enorme schaal gekookte aardappelen en die at die jongen helemaal op! Ik heb er wel van geleerd dat ik nooit eten weggooi.’

         

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892