Erfgoeddrager: Dounia

‘Ik heb een week op de boot naar Coevorden gezeten’

Lenie Ekelschot woonde tijdens de oorlog aan de Admiralengracht, vlakbij de Visserschool. Nu woont ze in Osdorp. Dat is maar een klein stukje met de tram voor Dounia en Charmaine. De flat van Lenie hangt vol met zelfgemaakt borduurwerk. De kinderen bewonderen haar geborduurde torens van Nederland.

Hoe was het dagelijks leven in de oorlog?
‘Ik was nog maar een kind, maar ik heb wel veel gezien en ook wel eens gehuild. We speelden gewoon en we rolschaatsten op de Witte de Withstraat, want daar waren bijna nog geen auto’s. We hadden stiekem een radio en we kregen licht door op een fiets te rijden. Die draait rond, net als een windmolen en dan maak je stroom. Er was geen tv, geen radio. Dat was niet saai, want je wist niet beter. Wij zaten een keer zuurkool te eten, toen we wat hoorden. We zagen een piloot naar beneden springen. Een Duitse soldaat vroeg of ze moesten schieten, maar er werd gezegd: Nein, das ist nicht gut. Gek dat je zo’n zinnetje onthoudt. Mijn broer moest eigenlijk werken in Duitsland, maar hij liep ongelukkig. Dat heeft hij een beetje erger gemaakt en toen hoefde hij niet. Mijn vader moest wel onderduiken. Dan kwam hij stiekem ’s nachts op bezoek. Dat moest heel zachtjes, want boven ons woonden NSB’ers. Dat was best eng. We hadden ook honger, dan gingen we naar de boeren om tarwe te halen. Ik heb ook eens een peen gestolen bij de groenteman. Daar is het bij gebleven, want ik durfde niet te stelen. Ik kan mij wel nog de smaak van bloembollen herinneren. Omdat mijn vader er niet was, was er voor mijn moeder geen geld om voor zeven kinderen te zorgen. Ik ben toen naar Coevorden gegaan.’

Hoe was het om zo ver van huis te zijn?
‘De boot kon alleen ’s nachts varen dus we hebben een week in een platte schuit gezeten met stro op de grond en een emmer als wc, daar lag ik naast. Onderweg zijn we gebombardeerd. Toen zijn we verder gegaan met Duitse vrachtwagens, onderweg zongen we Nederlandse liedjes. In Coevorden moest je buiten naar de wc en kreeg je een krant mee als wc-papier. Ik paste daar op een jongetje van anderhalf, daar liep ik mee in de kinderwagen, maar ik wilde liever spelen. Ik heb hem toen aan het huilen gemaakt, zodat hij ging slapen. Je verrader slaapt nooit, dus ik heb op mijn donder gekregen. Toen heb ik erg gehuild. In Coevorden werden we ook gebombardeerd en ben ik door een meisje de kelder in gedragen. Ik weet nog hoe ze eruit zag, dat maakte indruk. Er waren daar meer kinderen uit Amsterdam. Een jongetje is overleden. Tijdens de begrafenis werden we weer gebombardeerd, toen lagen bij het huis alle ramen eruit. Coevorden werd in april 1945 al bevrijd. Toen heb ik, pas tien jaar jong, een sigaret gerookt! Maar daarna nooit meer. Er gingen in augustus pas weer treinen naar Amsterdam. Vanaf het Centraal Station ben ik toen met de vrachtwagen naar huis gebracht. Mijn oudste broer riep: “Mama, Lenie is er!”‘

Hoe ging het met u na de oorlog?
‘Ik moest weer naar school, maar in plaats van naar de vijfde klas moest ik terug naar de vierde. Ik kon goed leren, dus dat vond ik niet leuk. Ik heb nooit doorgeleerd en dat vind ik nog steeds jammer. Daar heb je later zoveel aan, ik mis het echt dat ik geen Engels heb geleerd. Eigenlijk wilde ik juf worden, maar ik weet niet meer waarom ik dat niet ben gaan doen. Ik mocht nooit naar de radio luisteren. “Ga maar wat doen,” zei mijn moeder dan. En nog kan ik niet stil zitten, daarom borduur ik ook zoveel. Een paar jaar geleden luisterde ik toevallig wel naar de radio. De broer van de overleden jongen zocht naar andere kinderen uit die tijd. Ik kreeg een rilling en heb meteen gebeld. We zijn naar Coevorden geweest, dat was zo’n leuke reünie. Ik heb ook de jongen ontmoet waar ik in de kinderwagen mee reed. Toen was het voor mij afgesloten. Maar ik kan nog steeds niks zien over de oorlog, want dan slaap ik niet. Ik vind het wel leuk om dit aan jullie te vertellen. Ik hoop dat jullie het ook fijn vinden om te horen. Want om dat mee te maken, dat vergeet je nooit. Als kind misschien wel, maar het komt altijd terug. Of ik sterker ben geworden door de oorlog weet ik niet, maar ik ben wel anders gaan denken, ook als je nu iets over oorlog zit. Mensen willen alleen maar macht. Ik begrijp dat niet. Met liefde bereik je veel meer.’

            

Erfgoeddrager: Dounia

‘Dankzij de architect van mijn huidige huis besta ik’

Miron, Falk, Esperanza en Dounia van basisschool De Nautilus spraken met Martin Simon bij hem thuis aan de Sophialaan. Hij is aan het eind van de oorlog in een kamp geboren en kan zich dus niets herinneren. Hij kent het verhaal van zijn ouders uit onderzoek in het archief. Met een stuk taart op schoot, geserveerd door zijn vrouw, en dropjes (voor Miron) vertelde hij dat je altijd nieuwsgierig moet zijn en dat het belangrijk is om zelf na te denken.

Bent u Joods?
‘Ja, ik ben Joods van afkomst, maar niet gelovig. Mijn beide ouders waren Joods. Zij waren ook niet gelovig.’

Waarom wilden de Duitsers wraak nemen op de Joden denkt u?
Ik heb mij altijd afgevraagd hoe het mogelijk was dat zoveel mensen zulke vreselijke dingen gedaan hebben met de Joden. Het begint met pesten. Als iemand gepest wordt, zie je dat er ineens een groepje bij elkaar gaat zitten dat zegt: wij gaan die samen pesten. Ze zijn tegen diegene en dan is het heel fijn om bij dat groepje te horen. Dan hebben ze iets gemeenschappelijks. Ze denken niet meer zelf na. In Duitsland zei men indertijd: wij zijn tegen de Joden. Mijn vader was Duitser; hij kwam uit een goede familie. Hij woonde in een heel groot huis in Frankfurt en had net eindexamen gymnasium gedaan toen alle Joden weg moesten. Je kon wel blijven, maar dan werd je op een gegeven moment opgepakt. Mijn vader ging met zijn moeder en broer naar Nederland. Ze mochten niets meenemen en hadden niets meer: geen geld, geen huis. Ook spraken ze de taal niet. Mijn vader heeft toen om wat geld te verdienen luciferdoosjes en chocola verkocht aan de deur. In 1941 leerde hij mijn moeder kennen en zijn ze getrouwd.’

Hoe wisten de mensen dat uw ouders Joods waren?
Iedere Joodse Nederlander moest een J in het paspoort hebben en een ster dragen. De Nederlandse regering heeft ook alle namen en adressen van Joden aan de Duitsers gegeven. Ze hebben niet nagedacht. In Nederland is zo 90 procent van alle Joden doodgemaakt. Het grootse percentage in Europa! Mijn vader en moeder doken onder in Den Haag, maar een mevrouw heeft ze voor twee gulden vijftig verraden. Ze werden opgepakt – mijn moeder was toen zwanger van mijn broer – en kwamen in kamp Westerbork terecht. Eens in de week was er een trein naar kampen in Duitsland en Polen. Ze hadden elke week weer de angst of ze die week met de trein mee moesten. Mensen met kinderen werden als eerste weggestuurd en mijn broer werd daar geboren. Dat maakte de angst nog vreselijker. De meeste mensen waren daar kort, maximaal twee tot drie maanden. Maar mijn vader en moeder zijn daar tweeënhalf jaar gebleven. Ik vroeg me altijd af hoe dat mogelijk was. Ik ben gemaakt in Westerbork, dat vond ik altijd raar, want mannen en vrouwen leefden daar gescheiden. Mijn moeder wilde er nooit over praten. Het was te erg.’

Hoe bent u er toch achter gekomen wat er is gebeurd?
‘Dit huis waar ik nu woon is gebouwd door de Joodse architect Harry Elte. Ik las dat hij in de oorlog was ondergedoken, ook was verraden en in 1942 naar Westerbork was gestuurd. Daar is hij tweeënhalf jaar geweest. Ik dacht: wat raar, net zo lang als mijn ouders. Ik ben toen naar Westerbork gegaan en daar heb ik in het archief  gevonden dat die architect mijn vader had uitgekozen om voor hem te werken in Westerbork, om bouwtekeningen te maken voor de Duitsers. Dat is de reden dat mijn vader zo lang in Westerbork kon blijven. Hij kreeg een aparte status en mocht zelfs het kamp uit om materiaal te kopen. Mijn moeder was een garantie dat mijn vader terugkwam. Hij zou zijn vrouw en kind nooit in de steek laten. Daardoor werden ze dus niet doorgestuurd. Op die manier ben ik gemaakt, want mijn vader mocht ook af en toe naar mijn moeder. Een jaar voordat de oorlog afgelopen was, zijn mijn ouders en mijn broertje toch doorgestuurd, naar Theresienstadt. Daar ben ik geboren, in december 1944. Mijn vader moest met de laatste trein naar Auschwitz. Dat was een mannentrein. Daarom hoefde mijn moeder niet weg. De Russen hebben ons bevrijd in april 1945. Ik heb mijn vader nooit gekend.

Ik woon dus in een huis van de architect die mijn vader en moeder zolang in Westerbork gehouden heeft en daarom besta ik.’

     

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892