Erfgoeddrager: Benjamin

‘Als ik Trump of Putin zie in het nieuws, denk ik aan oorlog en denk ik: dat nooit meer!’

Jesaja en Benjamin wonen in Slotervaart, net als Joop en Henny Bongers. De jongens wandelen, klimmen, stoeien en rennen zich vanaf hun school aan het Rembrandtpark een weg naar het huis van de familie Bongers. Tijdens de oorlog woonden Henny en Joop een paar huizen van elkaar vandaan aan het Columbusplein in Oud-West.

Hoe begon voor u de oorlog?
‘Ik was vier en ik moest naar de kleuterschool, maar ik wilde niet. Want midden op ons plein, het Columbusplein waar we vaak speelden, daar stonden in een grote kring allemaal jongens van 17/18 jaar. Ze droegen een bruine broek en een bruin overhemd en hadden een geweer over de schouder hangen. Later hoorde ik dat dit de Hitlerjugend was, de jongerenafdeling van de Nazipartij. Mijn grote neef was die dag bij ons. Hij zag de jongens het eerst. Het werd ineens heel stil op het plein. Toen was er een fluitsignaal en gingen alle geweren omhoog, waarop mijn neef riep “ga snel weg bij dat raam voordat er ongelukken gebeuren”. Hij maakte een grote stap naar achteren – bovenop mijn trein! Ik was dol op mijn trein en nu was die stuk. Dat vond ik heel erg. Maar er zou nog veel meer stuk gaan in de oorlog. Dat wist ik toen natuurlijk nog niet.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt tijdens de oorlog?
‘De honger en de kou. Vooral aan het einde van de oorlog, tijdens de laatste winter – de hongerwinter. Eerst werd Limburg bevrijd, toen Brabant. Wij dachten allemaal dat die oorlog snel afgelopen was, maar we moesten nog tot mei wachten. Tot die tijd was het moeilijk om aan eten te komen. Mijn moeder ging voor ons op snor, op zoek naar eten. Dat deed zij in de stad en in de polder – in Slotervaart stonden toen nog geen huizen maar wel boerderijen. Die hadden soms een appel of wat melk over voor ons. In de stad kende mijn moeder de kaasboer. Op een dag heeft mijn moeder een hele dag voor de winkel in de rij gestaan voor een stukje kaas. ‘s Avonds hebben we die toen in kleine stukjes gesneden en mochten we allemaal om de beurt er wat van eten. Dat was feest! Ook mijn zus hielp mee om eten te zoeken. Zij ging met haar vriendinnen bij boeren langs op zoek naar stukken aar die van de steel gevallen waren. Dit koren maalden we in de koffiemolen. Mijn moeder wist daar dan op een hele ingewikkelde manier nog een broodje van te bakken. Dat deed ze op het fornuis dat werkte op olie.

Om het warm te krijgen in huis stookten we kolen in de kolenkachel. Maar omdat er geen kolen meer waren in de oorlog, moesten we wat anders verzinnen. Op het Columbusplein hadden we vier hele grote populieren. Prachtige bomen. Binnen korte tijd waren al die bomen gekapt en opgebrand, die gingen allemaal de kachel in.’

Hoe weet je of je iets goed of fout doet in de oorlog?
‘In oorlogstijd is het lastig te beoordelen, of je iets fout of goed doet. Mijn vader bleef het werk doen dat hij voor de oorlog al deed, hij werkte in de Fordfabriek in Amsterdam. Alleen was er door de oorlog nu een andere directeur, een Nazi Duitser. Hij gaf mijn vader de keus: hij kon zijn oude baan blijven doen bij Ford of naar Duitsland getransporteerd worden om daar te gaan werken, ver weg van zijn familie. Hij koos ervoor om bij zijn gezin te blijven. Is dat fout?

Omdat we geen olie meer hadden om op te koken, nam mijn vader wel eens een kannetje olie mee uit de fabriek. Hierdoor kon ons gezin weer eten koken. Is dat stelen? Ja, eigenlijk wel. Maar is dat fout?

Op een dag zag ik Duitse soldaten uit een vrachtwagen stappen met een mand vol broden. Er vielen twee broden op de grond. Toen heb ik snel die broden opgepakt. Een van de soldaten zag het en die knikte naar me, zo van “neem maar mee”. Maar ik had ze wel gestolen. Mijn familie had immers honger. Is dat dan fout?’

             

Erfgoeddrager: Benjamin

‘De volgende ochtend op weg naar school zagen we dat de slagerij was afgebrand’

Als Naomi, Benjamin en Jorrit binnen komen, worden ze hartelijk ontvangen door mevrouw Renske Talma (86 jaar). Er staat een pakje drinken, koek, snoep en chocola voor ze klaar (‘wel pakken hoor!’). Mevrouw Talma vindt het niet moeilijk om over de oorlog te praten en ze weet zich sommige dingen nog heel goed te herinneren.

Wat kunt u zich herinneren van uw schooltijd?

‘Ik was nog jong toen de oorlog begon, dus dan krijg je er niet zoveel van mee. Maar ik weet de dag dat het begon nog goed: op 10 mei was mijn zusje jarig, ze werd tien jaar. In de ochtend wisten we nog niet dat de oorlog begon, want we hadden geen radio. Ik zat op school in Birdaard, een heel eind lopen van ons huis in Jilsum. Onze klasgenoten wisten die dag ook niet dat er oorlog was. Ik ben goed door de schooltijd heen gekomen. Ik herinner me dat we in de laatste jaren van de oorlog op school geen papier meer hadden, alles was op. We begonnen altijd met bidden, daarna gingen we zingen, lezen, schrijven of handwerken en soms wel eens een opstel maken. Ik liep altijd samen met mijn beste vriendin naar school, zij woonde net als ik in Jislum, en we moesten drie kilometer lopen naar Birdaard. Tussen de middag moesten we snel naar huis lopen, dan had moeder het eten klaar en daarna weer terug naar school. We woonden op de laatste boerderij, onze meester kon ons vanuit het raam aan zien komen. ‘Jullie hebben niet hard gelopen,’ zei hij soms. Ik vond het prachtig op school en was blij als de vakantie weer om was. Thuis gingen we namelijk nooit ergens naartoe in de vakanties.’

Had u genoeg eten en kleding in de oorlog?

‘Ik had zeven broertjes en zusjes en we droegen elkaars kleren. Alles was van schapenwol, eerst gewoon wit, later verfde moeder de wol blauw (dat was waarschijnlijk de enige kleur die ze had, want het werd altijd blauw). In de kerk zat er een keer een man achter ons, die zei: ‘ha lytse skjipkes.’ Dat vergeet ik nooit weer, daar heb ik het nog wel eens over met mijn zus. We leden gelukkig geen honger, want we hadden aardappelen en kool in de tuin. Ook werd er soms een varken of een schaap geslacht en dan hadden we vlees. Dit mocht eigenlijk niet, maar we deden het stiekem en deelden het vlees met anderen.’

Was u bang tijdens de oorlog?

‘We zaten een keer in de kerk toen er een inval plaatsvond: iedereen die ‘de leeftijd had’ moest naar buiten. Onze dominee, een politieman en een jongen van achttien werden opgepakt en we hebben ze nooit meer teruggezien. De vrouw van de politie is ‘het toen in t hoofd geslagen’. Ze kon het niet aan, haar zoon was ook opgepakt. Gelukkig kwam die later weer terug. Thuis waren we met zijn tienen en toen mijn zus in 1944 overleed, hadden we plek om iemand op te vangen. Er kwam toen een meisje van drie jaar bij ons wonen. Zo jong en dan al bij haar moeder weg. Ze kwam uit Huizen en was heel bang dat ze weer terug moest. Ik herinner me ook dat de familie Lijstra van de slagerij in het verzet zat. Toen er een Duitser werd doodgemaakt, ging de slager ervandoor. De volgende ochtend, toen we naar school gingen, zagen we dat de slagerij was afgebrand. Zijn dochter heeft nog een tijd ondergedoken gezeten, vertelde ze me later.’

 

 

Erfgoeddrager: Benjamin

Het hele leven stond stil

Het is een hete lentedag, maar binnen bij Magda Bruno thuis is het lekker koel. Nikki, Sofia en Benjamin van de Olympiaschool worden door de dochter van mevrouw Bruno warm onthaald met appelsap, cake en koekjes. ‘Toen de Olympiaschool nog de Spartaschool heette, zat mijn oudste dochter daar op,’ vertelt mevrouw Bruno. En Benjamin vertelt dat zijn grootouders nu in de Cornelis Schuytstraat wonen. De gemeenschappelijke band is gesmeed.

Hoe kwam u erachter dat de oorlog begon?
Dat was heel vroeg op de ochtend, om een uur of vier. Mijn broer had een radiootje, hij maakte me wakker: ‘De Duitsers zijn geland, de Duitsers zijn geland!’ We hebben meteen mijn ouders wakker gemaakt. Daar waren ze dus, de Duitsers. Langzamerhand kwamen ze naar Amsterdam. Ik was heel boos: wat moeten jullie hier! Dit is ons land! Daar liepen ze zomaar door onze straten. Als je boos bent, ben je niet bang. Soms moesten we schuilen in huis, in een ruimte waar we net met z’n vieren staand in pasten. Mijn broer begon algauw vervelend te doen daar. Later raakten we aan het luchtalarm gewend. Op het laatst zat alleen mijn vader er nog, in zijn eentje.

Hoe ging het leven tijdens de oorlog?
Het hele leven stond stil. Ik kon niet studeren door de oorlog en ging werken, en later ging ik voor mijn ouders zorgen. Mijn broer, die drie jaar ouder was dan ik, was tewerkgesteld in Berlijn, waar heel veel gebombardeerd werd. Toen onze grootvader overleed kon hij op verlof naar Nederland. Iemand had wat geholpen door op het telegram te zetten dat het onze vader betrof, en daarvoor mocht je voor de begrafenis overkomen. Ik zei daarna: ‘Je gaat nooit meer terug!’ Ik ben met hem meegegaan naar het Centraal Station, waar hij zich na het verlof moest melden. Ik zei: ‘Als je niet komt, dan zoeken ze je. Ze moeten weten dat je erbij bent, dus als ze je naam noemen, dan zeg je heel hard: ja!’ Daarna zijn we stiekem naar achteren geslopen en heel rustig in een andere trein gaan zitten. Hij is vervolgens bij ons thuis ondergedoken. Ik sliep in die tijd ’s nachts in zo’n donkerblauw trainingspak van school, want als ik iets hoorde moest ik meteen eruit om hem weg te werken.
Het werd later nog veel erger, toen er honger heerste. In de stad was de grootste nood aan voedsel. Proberen aan eten te komen, was het enige wat we deden. Ook ik ging op pad daarvoor, per fiets met houten banden. Steeds verder, naar Friesland. Onderweg sliep ik soms in een stal, tussen de paarden. Die gaven warmte, ik vond het heerlijk bij ze. Van mijn moeder had ik een jampotje met bruine bonen mee, die ik koud at. Nooit heeft een taartje lekkerder gesmaakt dan die koude bonen, in de stal op het stro.
Op een keer zag ik dat een boer geen eten wilde meegeven aan een man met een handkar. ‘Jij hebt al genoeg!’, zei hij tegen de man, terwijl hij wees op de vracht op de kar. De man tilde toen het laken op: daar lag zijn dode kind, overleden tijdens de tocht. Dat vergeet je nooit meer. Dat was zoiets gruwelijks.

Hoe wist u dat de oorlog was afgelopen?
Van de radio, en iedereen liep ineens op staat. Zo mager als we waren, we waren allemaal blij. We gingen allemaal met elkaar de stad in en je voelde je vrij. Later hebben we nog wittebrood gekregen van de Amerikanen. Iedereen kreeg een halfje wit. Wit, dat was iets heel bijzonders. Maar mijn broer was nogal snel, die at veel. Ik was heel precies, dus ik nam hele dunne sneetjes af en toe. Dan zei ik tegen mijn broer: ‘Jij hebt van mijn halfje wit gegeten!’ Ik zei tegen mijn broer: ‘Weet je wat ik doe? Ik doe er een lintje om. Dan weet je dat het rode van mij is, en het blauwe is van jou!’ Ja, zo ging dat na de oorlog, terwijl als je ziet wat de mensen nou allemaal weggooien, dat hou je niet voor mogelijk…’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892