Erfgoeddrager: Amir

‘Net toen ik mijn moeders hand vastpakte, rukten ze me bij haar weg’

Dongeschoolleerlingen Amir, Max en Ivan gingen op bezoek bij Salo Muller. Hij was pas vier jaar toen de oorlog begon, maar kan zich deze verschrikkelijke tijd nog goed herinneren. Zijn ouders zijn allebei in Auschwitz vermoord. Salo werd ook opgepakt, maar werd in de onderduik ondergebracht, onder een andere naam.

Weet u nog hoe de oorlog begon?
‘Ik was vier toen de oorlog begon. Dan weet je nog niet wat dat betekent. Wel vond ik het raar toen we de ramen moesten verduisteren. En dat ik een ster op mijn kleren kreeg. Dat vond ik heel spannend ook. In 1942, toen ik zes was, begon de oorlog eigenlijk echt voor mij. Toen besefte ik: er gaan gekke dingen gebeuren. Mijn moeder bracht mij op een ochtend naar school en zei: “Tot vanavond en lief zijn hoor”. Daarna ging ze naar haar werk, waar mijn vader ook werkte. Maar daar stond een Duitse overvalwagen voor de deur. Al het Joodse personeel werd erin geduwd en naar de Hollandse Schouwburg gebracht waar alle Joden werden verzameld. De buurman haalde mij die dag van school en bracht me naar mijn tante in de Dintelstraat. ’s Avonds was daar een razzia. Mijn tante zei dat ik in de hoek moest gaan staan en pas weer tevoorschijn mocht komen als de mensen weg waren. Als eigenwijs jongetje ging ik toch kijken. Toen werd ik meegenomen naar de schouwburg, waar ik mijn ouders op het toneel zag staan. Ik rende naar ze toe, had net de hand van mijn moeder vast, toen een verpleegster en twee Duitse soldaten mij wegrukten. Ze brachten me naar de crèche aan de overkant. Vier dagen zat ik daar in een bedje, ik plaste en poepte er ook. Ik schreeuwde om mijn vader en moeder, want ik dacht dat ze aan de overkant waren. Later hoorde ik dat mensen op het podium diezelfde avond met de trein naar Westerbork werden vervoerd. Daar hebben ze negen weken gezeten waarna ze naar Auschwitz zijn gebracht en in 1943 zijn vermoord. Ik heb ze dus nooit meer gezien.’

Wat is er met u gebeurd?
‘Na vier dagen in de crèche kwam mijn oom mij halen en moest ik onderduiken. Vanaf toen heette ik geen Salo meer, want dat is een Joodse naam, maar Japje. Ik ben bij acht verschillende onderduikadressen geweest; daar bracht Piet Bakker, het pseudoniem van verzetsstrijder Piet Bosboom, me steeds naartoe. Ik was op die adressen hele dagen alleen, mocht niet naar buiten, niet naar school en ik miste mijn vader en moeder. Als ik lastig was, kreeg ik slaag. Alleen de laatste jaren in Friesland was het wat beter. Maar niet heel fijn. Op één adres sliep ik in een bedstee – zo’n bed in de muur met deuren ervoor – op een matras van hooi en onder een dekbed van stro. Daar kreeg ik astma van. Als ik naar de wc moest, klopte ik op de deuren maar niemand deed open, dus plaste ik in bed. Ook moest ik me verstoppen als er Duitsers langskwamen. Op een ander adres waren veel Duitsers in de buurt. Daar werd ik ’s avonds in een kruipruimte onder de grond gezet. Ze haalden een vloerkleed weg, deden de planken omhoog, lieten me erin zakken – als ik pech had, viel ik op mijn gezicht – en dan timmerden ze het weer dicht. Boven hoorde ik lawaai, terwijl ik tussen de ratten en muizen de hele nacht onder de grond lag. Bij het laatste adres moest ik me in het kippenhok verstoppen. Moet je je voorstellen, tussen tachtig kippen! Dan moet je heel stil zitten anders gaan ze fladderen en dat maakt heel veel lawaai.’

Hoe is het voor u afgelopen en denkt u nog vaak aan de oorlog?
‘Mijn tante kwam mij na de oorlog halen. Dat mijn vader en moeder allang dood waren, wist ik nog niet. Mijn tante zei ‘Salo’ en ik dacht: ik heet toch Japje? Dus ik was helemaal de kluts kwijt. Ze wilde mij meenemen naar Amsterdam, maar ik wilde dat eerst niet, omdat de mensen op mijn laatste onderduikadres als mijn opa en oma voelden.
Ik was bijna tien jaar en ging voor het eerst naar school. Ik zat op de Dongeschool, waar jullie nu ook op zitten. Daar kwam ik direct in de derde klas terecht, want ik kon goed leren. Ik heb de eerste twee klassen dus nooit gedaan. Ik ging elke dag tot vier uur naar school en had dan nog van vijf tot zeven uur bijles.
Ik denk nog vaak aan de oorlog, ook omdat ik geregeld les erover op scholen geef. Maar ook daarnaast gebeuren er altijd wel dingen, waarbij ik denk: dat had ik wel aan mijn vader of moeder willen vertellen.’

Erfgoeddrager: Amir

‘Vergeet ons niet, schreef Inge – en ik ben ze nooit vergeten’

We hebben met Edith Postma afgesproken op Nieuw Vredenburgh, want dat is precies halverwege de Corantijnschool en haar adres tijdens de oorlog op de Orteliuskade. Yassine, Narkes, Amir en Badenur stellen haar eerst wat vragen en dan lopen we langs het park dat daar toen nog niet was. Gelukkig schijnt het zonnetje en is er geen regen zoals eerder op de dag.

Hoe zag het leven eruit tijdens de oorlog?
‘Ik denk steeds vaker aan vroeger en ook aan de oorlog. Ik was niet Joods en nog steeds niet trouwens. Waar nu het park is, waren toen tuinderijen, maar de straat ziet er nog hetzelfde uit. Zelfs de huisnummers zijn nog hetzelfde. Ik zat eerst op de Hoofdwegschool, nu de Corantijnschool. Mijn onderwijzer woonde aan de Van Middellandtstraat en dan ging ik altijd aan zijn arm hangen. Maar eigenlijk vond ik buitenspelen veel leuker dan school. Of we gingen ruzie maken met de jongens van de Augustinusschool. In de oorlog ben ik naar de HBS gegaan en daar zaten Duitsers in het gebouw. Wat ik eng vond was het luchtalarm, dan lag je in bed te trillen en te wachten op het veilig signaal. Maar toch waren er ook wel gezellige tijden, vooral als je ouders je vertelden wat je allemaal weer zou kunnen doen als de voorbij was.’

Had u vriendjes/vriendinnetjes tijdens de oorlog?
‘Ik had een vriendinnetje in de Orteliusstraat wonen, zij is een paar weken geleden overleden. Toevallig had ik nu net met mijn auto precies een plekje voor haar deur. Haar vader zat bij de NSB en had ook zo’n poster voor het raam hangen. Ik had nog een ander vriendinnetje, Inge. Zij woonde in het volgende blok aan de Orteliuskade en we gingen vaak met zijn drieën naar school. Inge wilde nooit bij dat andere vriendinnetje naar binnen, want Inge was Joods. Zij had opeens een ster op en moest naar een Joodse school. Ze kwam wel nog vaak bij mij spelen. In de oorlog heeft ze nog in mijn poesiealbum geschreven, ook namens haar broertje en zusje een schattige tweeling. Zoals je ziet konden ze vroeger heel mooi schrijven.’

Kocht u wel eens iets tijdens de oorlog?
‘Al had je veel geld, je kon niks kopen want er was niks. We hebben wel honger gehad en dat werd steeds erger. Mijn moeder zat elke avond bonnetjes te knippen. We gingen vaak met honger naar bed en aan het eind van de oorlog gingen mensen zelfs dood van de honger. Alle fietsen waren afgepakt, of je had alleen nog een fiets met houten banden. Ik had geen winterjas en toen heeft mijn moeder een genaaid uit haar oude zwarte jas. Kinderen droegen toen geen zwart, dus ze had een rode voering erin gemaakt. Het leek per ongeluk op een NSB-uniform. Inge zei: “Zo wil ik niet meer naast je lopen”. Mijn moeder heeft alles er weer afgehaald en veranderd in blauw.’

Hoe is het afgelopen met Inge?
‘Op een dag zei mijn moeder: ik denk dat Inge en haar familie weggehaald zijn. Ze waren in de nacht weggehaald en er waren planken voor het raam getimmerd. Ik heb daarna nooit meer wat van haar gehoord. Ze zijn naar de kampen gegaan en vermoord. In mijn album schreef Inge: vergeet ons niet. En ik ben ze ook nooit vergeten. We staan inmiddels voor het oude huis van Edith. Kijk in deze portiek heb ik na de oorlog nog staan zoenen met mijn vriendje. Dan lopen we terug: dag huis, ik zie je waarschijnlijk nooit meer. Even verderop lopen we langs een stolperstein voor Jacques Aa; ik kende zijn kinderen ook wel. Misschien komen er ook ooit nog eens van dit soort steentjes voor Inge en haar familie.’

        

 

Erfgoeddrager: Amir

‘Het ergste gebeurde pas na de oorlog’

Als Devon, Charlie en Amir van de Twiskeschool in Noord aanbellen bij het huis van Marian Schaap, horen ze hard geblaf. ‘Oh jeeh, een hond…’ Devon en Amir zijn een beetje bang voor honden, maar mevrouw Schaap doet enthousiast de deur open en stelt iedereen meteen gerust met haar lieve hond Jelle. ‘Hij doet geen vlieg kwaad hoor!’. Terwijl de kinderen hun vragen nog een keer doornemen, snijdt Marian de versgebakken chocoladecake aan. Zelf heeft zij de oorlog niet bewust meegemaakt, maar door haar Joodse pleegzus en haar ouders in het verzet is zij er altijd veel mee bezig geweest. Het ontroerende verhaal laat een diepe indruk achter.

Hadden uw ouders onderduikers in huis?
‘Mijn ouders hadden een Joods kindje in huis genomen. In 1943 is ze is als baby bij mijn vader en moeder terechtgekomen. Haar echte ouders zijn in een concentratiekamp, in Sobibor, vermoord. Mijn zus is geboren in Amsterdam. Daar woonden veel Joodse mensen. Haar ouders hadden een brief gekregen waarin stond dat ze moesten klaarstaan om gedeporteerd te worden. De Duitsers wisten alleen niet dat ze een baby van tien maanden in huis hadden. Op het laatste moment, toen er al een overvalwagen voor de deur stond, heeft de moeder van mijn zus haar snel bij de buren gebracht. Dat moet zo ontzettend moeilijk geweest zijn, daar kan ik nog om huilen. Ze heeft nog snel een briefje uit het raam gegooid, waarop ze had geschreven dat ze blij was dat ze het liefste wat ze had, niet bij zich had. Het briefje is uiteindelijk gevonden en dat is het laatste echte levensteken van de ouders van mijn zus geweest. Ze zijn vanuit Nederland direct naar Sobibor gestuurd, waar ze rechtstreeks de gaskamers in gingen.’

Had u veel honger in de oorlog?
‘Mijn ouders hebben veel honger geleden. Ik was nog te jong om mij dat te kunnen herinneren. Mijn moeder trok Noord-Holland in om linnengoed te ruilen voor eten bij de boeren. En dan maar hopen dat je onderweg niet werd tegengehouden door de Duitsers, want dan was je alles weer kwijt. Ze reed op een fiets met houten banden, want rubber was er niet meer. Ik denk dat je wel een blikken achterwerk krijgt als je daar zo’n lang stuk op moet fietsen. Verder ging alles op de bon. Omdat mijn zus niet officieel bij mijn ouders woonde, kwamen er voor haar geen voedselbonnen binnen. Dat was dus wel een probleem. Gelukkig zorgde het verzet in Zaandam ervoor dat er dan ineens weer bonnen in de brievenbus lagen.’

Wat is het meest tragische dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘Dat gebeurde pas na de oorlog, toen ik zo rond mijn 12e ontdekte dat mijn zus niet mijn echte zus was. Ik zag een brief liggen waarin mijn zus een andere achternaam had. Toen ik aan mijn moeder vroeg hoe dat kon, kreeg ik het hele verhaal te horen. Daarna was ik heel bang dat ik mijn zus zou moeten missen, maar dat was gelukkig niet zo. Mijn ouders zijn in de oorlog heel bang geweest voor verraad want er waren Nederlanders die voor zeven gulden aan ‘kopgeld’ Joden verraadden. In onze straat woonde een NSB’er. Toen mijn zus bij mijn ouders in huis kwam, hadden ze gezegd dat het een nichtje uit Zeeland was. Mijn moeder was de enige in het gezin die blond haar had, mijn vader had zwart haar. Als je zomaar een zwartharig kindje van 10 maanden in huis hebt, roept dat natuurlijk vragen op. Je kan een baby ook niet onbeperkt binnenhouden. Na de oorlog vertelde de NSB’er mijn ouders dat hij nooit had geloofd dat het een nichtje was. Al die tijd had hij wel gedacht dat het een Joods kindje was, maar hij heeft mijn ouders nooit verraden. Als we wel waren verraden en als de Duitsers hadden geweten dat we een Joods kind in huis hadden, waren we allemaal naar een concentratiekamp gestuurd. Ook ik, zelfs baby’s werden vermoord. We hebben dus hartstikke veel geluk gehad.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892